Maandelijkse archieven augustus 2023

3 berichten

Broddelwerk contra bestaanszekerheid

Afgelopen 1 juli 2023 is de wetswijziging van de Faillissementswet ingegaan. De wettelijke schuldsaneringsregeling is ingrijpend gewijzigd, met als voornaamste aanpassingen de verkorting van de looptijd, de inkorting van de te goedertrouwtoets en het schrappen van de tienjaarstermijn bij hernieuwd beroep op het wettelijk traject. Dit heeft logischerwijs ook tot verstrekkende veranderingen in het buitengerechtelijke traject schuldhulpverlening geleid. Tegelijk heerst er nog veel onduidelijkheid over alle gevolgen. Zeker nu er rechters en schuldeisers zijn die de herzieningen bekritiseren of zelfs deels negeren.

Solistisch en overhaast

Om te beginnen bleek al snel dat de verschillende ministeries, koepelorganisaties en adviesorganen opnieuw niet gezamenlijk zijn opgetrokken. De aangekondigde ingangsdatum van de wetswijziging van 1 januari 2024 werd in 2022 door betrokken partijen met verbazing ontvangen. Waarom toch zo lang wachten? Onder andere onder druk van vroegtijdig anticiperen op de nieuwe wetgeving door minister Schouten en de NVVK, heeft minister Weerwind uiteindelijk besloten de wijzigingen per 1 juli 2023 in te laten gaan. Zonder goed beeld te hebben van de haken en ogen. De geschiedenis blijft zich herhalen. Bij de vereenvoudiging van de beslagvrije voet in 2021 (die helemaal geen vereenvoudiging blijkt in de praktijk), zijn dezelfde fouten gemaakt. De incompetentie en het gebrek aan regie stralen er weer van af. Niemand beseft dat er een gezamenlijk opgave bestaat, men etaleert hoogstens een zweem van plichtmatige urgentie. Het blijft een potje grootspraak en wensdenken. Het leervermogen van de wetgevers en beleidsmakers blijkt opnieuw niet bestaand. Men suggereert van alles, maar kan niets waarmaken. Of de bewust gemaakte keuzes zijn zodanig dat vooral electorale belangen en posities in de schuldenindustrie behartigd worden.

Diverse amendementen in de wetswijziging hebben ervoor gezorgd dat burgers met financiële problemen sneller van hun schulden af zijn. Het juk van jarenlang boeten voor de schuld is een stuk lichter geworden. Gedwongen van een minimum leven – dat eigenlijk al lang niet meer houdbaar is als (sociaal) minimum – is draaglijker geworden nu de finishlijn een stuk dichterbij ligt. Tegelijkertijd blijft de vraag of de doorstroom met deze wijzigingen bevorderd wordt, zoals in de titel van de wetswijziging staat. Het lijkt eerder een amechtige poging de zieltogende Wsnp te reanimeren. Waarschijnlijk een vergeefse krachtsinspanning. Zeker wanneer het politieke klimaat na de aanstaande verkiezingen verandert en burgers met schulden niet langer met fluwelen handschoen worden behandeld.

Verwarring en chaos

Intussen hebben rechters in vonnissen al gesteld dat er sprake is van rechtsongelijkheid, dat redelijkheid en billijkheid onvoldoende zijn verankerd in de wetswijzigingen, stellen schuldeisers aanvullende eisen in het minnelijke traject waardoor in de praktijk de looptijd alsnog verlengd wordt, overheerst alom frustratie over het mankerende overgangsrecht, bestaat er door grote gemeentelijke beleidsvrijheid een onwenselijk verschil in aanbod per gemeente, worstelt de schuldhulpverlener met het nieuwe ritme van hercontroles en herberekeningen (waarover niet is nagedacht), bestaat de angst dat de materiële looptijd van de Wsnp onvoldoende is om alle werkzaamheden zorgvuldig uit te voeren, gaan schuldeisers mogelijk eerder beslag op inkomen leggen omdat een schuldsanering nog minder oplevert, vrezen beschermingsbewindvoerders niet alleen dat ze nog minder tijd krijgen, maar ook dat het (verdienmodel) schuldenbewind gaat verdwijnen, willen schuldeisers garanties wat betreft het voorkomen van recidive en ontbeert het minnelijk traject nog altijd slagkracht omdat het geen juridische basis kent.

Kortom: er wordt aan de achterkant en halverwege het traject aan van alles gemorreld en geknutseld, maar helpen doet het allemaal niet. De uitgesproken ambitie om burgers met financiële problemen na beëindiging van het traject via interventies financieel redzaam te maken, het traject schuldhulp als tweetrapsraket presenterend (eerst oplossen, daarna opvoeden), lijkt eveneens een holle frase. Zeker omdat nooit goed is onderzocht en vastgesteld wat financieel redzaam precies betekent, laat staan dat we weten hoe effectief die vele interventies zijn.

Om nog maar te zwijgen over het feit dat we wél weten dat er een groeiende groep burgers is die structurele ondersteuning nodig heeft, omdat ze simpelweg niet (meer) kunnen meedoen in deze complexe (digitale) wereld en het utopische modelgedrag nooit zullen leren. Niet uit onwil, maar vanwege de onmogelijkheid die vaardigheden onder de knie te krijgen. Een groep die wel duidelijk in beeld is aan de voorkant van het sociaal domein, zoals in buurthuizen en bij vrijwilligersorganisaties. Helaas wordt van die vindplaats nog steeds veel te weinig gebruik gemaakt, omdat territoriumdrift en denken in eilandjes de boventoon blijven voeren. Ook hier is geen sprake van samenwerking in de ware zin van het woord. Terwijl diverse publicaties helder de vinger op de zere plek leggen [Spectrum augustus 2023].

Rekensommen

Een ander punt dat maar niet voor het voetlicht komt, is de financiële investering in een traject schuldhulpverlening versus de opbrengst ervan. Weliswaar wordt in Schuldhulpverlening loont! [Regioplan juli 2011] verondersteld dat elke euro die gemeenten aan minnelijke schuldhulpverlening besteden, op andere plekken – zoals minder huisontruimingen en korter gebruik van uitkeringen – leidt tot gemiddeld twee euro aan kostenbesparing, maar vertelt de Benchmark Armoede en Schulden [Divosa 2018] een heel ander verhaal.

In een video stelt Divosa dat schuldhulpverlening in een fictieve gemeente van 50.000 inwoners gemiddeld € 632.119 per jaar kost. In die fictieve gemeente melden zich jaarlijks 230 huishoudens, waarvan er 122 ook daadwerkelijk hulp krijgen. Dat levert een kostenpost op tussen afgerond € 2.750 en € 5.180 per huishouden – afhankelijk van de berekeningswijze. De gemiddelde uitvoeringskosten per dossier bedragen dan € 3.965. Aan de andere kant weten we dat in meer dan de helft van de minnelijke trajecten voor de schuldeisers heel zelden meer gereserveerd kan worden dan de minimale afdracht van € 60 per maand. Met de nieuwe looptijd van een traject van 18 maanden, resulteert dat in € 1.080 voor alle schuldeisers. De rekensom is dan eenvoudig: voor ruim de helft van de aanvragen schuldhulpverlening geldt dat de kosten de baten ruimschoots overschrijden. Waarom dan nog een traject optuigen? Er is immers sprake van een bizarre kosteninefficiëntie.

Als een buitengerechtelijk traject niet slaagt en een beroep op de Wsnp wordt gedaan, is de rekening uiteraard nog veel hoger, en is het negatief saldo van de sanering substantieel roder. Het zou dan zomaar kunnen dat het oplossen van schulden zes tot acht keer zo duur is als de opbrengst van het traject. Overigens blijft er aan het eind van een wettelijk traject met grote regelmaat helemaal niets voor de schuldeisers over, omdat allerlei kosten en het salaris van de Wsnp-bewindvoerder uit de boedel (het gespaarde bedrag) betaald moeten worden. Wat alleen maar onderstreept hoe geldverslindend deze aanpak is en pleit voor één juridisch traject, zonder instemmingsrecht voor de schuldeisers, inclusief een nieuwe financieringssystematiek.

Want waarom de schulden voor deze grote groep huishoudens niet eenvoudig kwijtschelden en in plaats daarvan het dan vrijgekomen geld investeren in vroegtijdige individuele duurzame begeleiding, zodat burgers direct in beeld zijn en niet onzichtbaar zelf naar oplossingen zoeken of zich uit schaamte  of taboe niet melden? Dat zet tenminste zoden aan de dijk en voorkomt in grote mate recidive. Waarschijnlijk veel beter dan wat we nu voorlichting, vroegsignalering en nazorg noemen. Nogmaals: zoek de samenwerking met buurthuizen en vrijwilligersorganisaties, waar burgers veel eerder en makkelijker een wijd open deur en een ruggensteun vinden en laagdrempelig en oordeelloos geholpen worden.

Verder kwam in 2022 van de minimaal 614.000 huishoudens met (geregistreerde) problematische schulden [CBS oktober 2021] maar 12,3% bij schuldhulpverlening terecht, met een totale schuldenlast van € 3 miljard [NVVK mei 2023]. Van de ruim 75.000 aanmeldingen werd in 2022 voor 21,7% een schuldregeling opgezet [NVVK mei 2023]. Dat betekent dat slechts 2,6% van de huishoudens met (geregistreerde) problematische schulden een oplossing wordt geboden in het minnelijk traject. Daarnaast eindigden in 2022 in totaal 4.871 Wsnp-trajecten [Raad voor Rechtsbijstand juli 2023]. In 91% van die zaken leidde het traject tot een schuldenvrije toekomst. Dat zijn 4.432 huishoudens, wat neerkomt op 0,72% van de huishoudens met (geregistreerde) problematische schulden. Bij elkaar opgeteld zorgt het hele (duurbetaalde) arsenaal aan schuldhulpverlening dus voor nauwelijks meer dan 3,2% van de eerdergenoemde 614.000 huishouden voor een oplossing. Een onthutsende conclusie. Vooral omdat we weten dat het werkelijk aantal huishoudens met problematische schulden veel hoger ligt; eerder richting of zelfs voorbij een miljoen.

Omissies

Cijfers over de effectiviteit en het oplossend vermogen van schuldenbewinden zijn er trouwens niet. Het aantal jaarlijks uitgesproken schuldenbewinden blijft wel gestaag groeien. Terwijl het wettelijk adviesrecht van gemeenten nauwelijks wordt toegepast – slechts enkele gemeenten maken hier gebruik van [SEO november 2022]. Iets wat de Afdeling advisering van de Raad van State al had voorzien toen ze stelde dat ze er nog niet van overtuigd was dat een wettelijk en formeel adviesrecht voor gemeenten echt nodig en geschikt is [Raad van State november 2019].

Wat minstens zo verbazingwekkend is, en een gemiste kans, is de omstandigheid dat de posities van de schuldeisers en de beschermingsbewindvoerders niet zijn herijkt rondom de wijziging van de Faillissementswet. Een herziening van het verhaalsrecht in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en een expliciete vaststelling van een termijn van een schuldenbewind in Boek 1 in datzelfde Burgerlijk Wetboek, waren meer dan wenselijk geweest. Iets wat de wetgever in het laatste geval ook al heeft nagelaten bij de introductie van het gemeentelijk adviesrecht bij schuldenbewinden.

Terug naar het fundament

Demissionair minister Schouten kondigde juli 2022 aan dat ze een halvering beoogt van het aantal mensen in armoede en het aantal huishoudens met problematische schulden in 2030, door de bestaanszekerheid van alle Nederlanders te versterken. Een loffelijk streven, dat onder andere door de conclusies van de Commissie Sociaal Minimum ondersteund wordt. Dat de omslag van het rapport Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum van die commissie gesierd wordt door Sisyphus die een rotsblok tegen de berg opduwt, is veelzeggend en omineus. Het beeld is voor velerlei uitleg vatbaar: als kwinkslag naar de regering, kabinet en Tweede Kamer, als waarschuwing voor de voorstanders van herziening van het stelsel, als (h)erkenning van de lange weg die te gaan is, als hart onder de riem voor de commissieleden zelf om niet op te geven, als voorbode van een afwijzende reactie vanuit de politiek, of als het ploeteren van de burger door het bureaucratische doolhof van inkomensondersteunende maatregelen terwijl collectieve voorzieningen stelselmatig afgebroken zijn.

Het is hoe dan ook een saillant beeld. Zorgwekkend ook. Omdat bestaanszekerheid voor een miljoen mensen in Nederland al heel lang niet meer bestaat. Terwijl bestaanszekerheid ten grondslag ligt aan breed welzijn en een gezond leven. De stress die armoede en financiële problemen veroorzaken, is onweerlegbaar aangetoond. De doorwerking daarvan voor de cognitieve functies, (mentale en fysieke) gezondheid, relaties, werk en dagelijks handelen zijn overduidelijk. Wat aangeeft hoe ontzettend belangrijk financiële zekerheid en stabiliteit is. Cruciaal zelfs. Want armoede en schulden zijn het gevolg van het ontbreken van geld, zelden ligt de schuld van financiële problematiek bij de burger zelf.

Op de keper beschouwd zijn burgers die met (problematische) schulden leven, in armoede dagelijks gedwongen zijn de eindjes aan elkaar te knopen, of allebei, praktisch vogelvrij verklaard. Als ze niet vervolgd worden door incassobureaus of gerechtsdeurwaarders, dan is het wel een bataljon aan (overheids)instanties dat ze overlaadt met eisen en voorwaarden gebaseerd op wantrouwen. Een leger van debiteurenbeheerders, ambtenaren en schuldhulpverleners dat door middel van vele ingewikkeld geformuleerde brieven burgers bij voortduring verplicht zich te verantwoorden voor het feit dat ze onschuldig zijn aan hun gebrek aan inkomen.

Bestaansinkomen

Wanneer de wens oprecht is om financiële problemen daadwerkelijk bij de wortel aan te pakken, is de oplossing eenvoudig: garandeer bestaanszekerheid. Rigoureus en zonder aarzelen. De aangekondigde herziening van de Participatiewet is onvoldoende. Ondanks alle goede bedoelingen, is het rapport van de Commissie Sociaal Minimum dat ook – armoede zal er niet door halveren. Net zoals de wijziging van de Faillissementswet de bestaande problematische schulden niet zal halveren. Het blijven pleisters en noodverbanden op, en potten en pannen onder het overvloedig lekkende (sociale?) stelsel.

Toon de euvele moed om het bestaansinkomen te verwezenlijken. Het is een vruchtbare bodem waarop niet alleen de burger zelf opbloeit, maar ook de maatschappij in zijn geheel. Bovendien voorkomt het zoveel van de financiële problematiek en de (hierboven geschetste) negatieve opbrengst van schuldhulp die daarbij horen. Om de kosten die veroorzaakt worden door (chronische) ziekte, uitval op werk, echtscheiding, huisontruiming, afsluiting en al die andere (bijna altijd) onomkeerbare gevolgen van toxische stress door armoede en schulden, nog maar buiten beschouwing te laten. Bestaanszekerheid door een bestaansinkomen. Het is de enige juiste weg. Omdat schuldhulpverlening symptoombestrijding is en een druppel op de gloeiende plaat. Omdat we iedereen een bestendig (financieel) toekomstperspectief gunnen, ontzet uit het duister van financiële wanhoop, waar overleven het maximaal haalbare is. Omdat we allemaal, zonder uitzondering, onderdeel zijn van hetzelfde weefsel en we elkaar vanuit dat besef kunnen bijstaan, uit solidariteit, met heel ons hart, handelend vanuit compassie, niet langer bevangen door de verlamming die inherent is aan het rammelende systeem. Ongeacht de (professionele of maatschappelijke) functie of rol die we vervullen. Omdat het in het licht voor iedereen zoveel prettiger toeven is.

Aardverschuiving

Leven in financiële rust is een natuurlijk streven. Het verlangen naar stabiliteit is niemand vreemd. De rust die bestaanszekerheid ons brengt, geeft ruimte aan creativiteit en maakt energie vrij, en vormt een voedingsbodem voor ontplooiing op vele andere gebieden. Wanneer er voldoende geld is – en dat is een relatief begrip – kunnen aandacht en vormkracht voor nieuwe dingen ingezet worden.

Het is niet per se zo dat een minimum inkomen voor bestaansonzekerheid zorgt en een hoger inkomen automatisch bestaanszekerheid genereert. Dat is afhankelijk van (onvoorspelbare) variabelen in het beschikbare budget, inclusief de persoonlijke behoefte aan middelen en vermogen, voor zover die al dan niet beïnvloed kunnen worden.

Mensen die autonoom, zelfvoorzienend, off the grid zijn gaan leven, hebben voor zichzelf rust in bestaanszekerheid gecreëerd, op basis van het weinige (inkomen) dat ze nodig hebben en het weinige dat ze bezitten. Zij hebben er bewust voor gekozen en hebben minder behoefte aan middelen, terwijl anderen dat absoluut als onvoldoende zouden ervaren.

Tegenstrijdig

Wanneer wordt gezocht naar de definitie van een sociaal minimum, naar de aanvaardbare hoogte van dat wat aan bestedingsruimte nodig is om op ieder niveau vanuit breed welzijn aan onze samenleving deel te nemen, blijkt dat niet hetzelfde te zijn als bestaanszekerheid voor alle inkomensgroepen. Want mensen met een middeninkomen, die ruim meer verdienen dat het veronderstelde sociaal minimum, kunnen in grote bestaansonzekerheid leven en een grote mate van bestedingsonvrijheid ervaren omdat ze het recht op allerlei inkomensondersteunende maatregelen verliezen. Dan steekt de in de literatuur regelmatig geconstateerde armoedeval op.

Daarmee is bestaanszekerheid een fluïde begrip geworden, omdat het bestaansminimum oftewel het sociaal minimum niet vanzelf garandeert dat voor alle inkomensgroepen en huishoudtypen armoede tot het verleden behoort. Daaruit volgt dat er behoefte is aan een nieuwe definitie van inkomen in combinatie met bestaanszekerheid. Namelijk een bestaansinkomen. Dat toereikende inkomen dat bestaanszekerheid waarborgt en direct samenhangt met levensomstandigheden zoals gezinssituatie, werk, huisvesting, (lichamelijke en geestelijke) gezondheid, scholing, sociale relaties en zelfontplooiing.

Bestaansinkomen

Een bestaansinkomen zorgt voor zover als mogelijk wel voor overzichtelijkheid en voorspelbaarheid in inkomen en uitgaven, mits afgestemd op de werkelijke noodzaak en behoeftes, die alleen op basis van zorgvuldige individuele toetsing en afweging vastgesteld kunnen worden.

Dat verlangt van overheid en werkgevers een totaal andere systematiek van het definiëren van inkomenshoogte. Daarin wordt niet alleen naar functievereisten, opleiding, kwaliteiten en vaardigheden gekeken, maar vooral naar de levensomstandigheden van het huishouden in kwestie.

Wanneer de overheid de zorgplicht invult door middel van een bestaansinkomen, gegrondvest op een fiscaal stelsel dat het draagkrachtbeginsel als uitgangspunt neemt, zal voor het overgrote deel van de Nederlandse burgers bestaansonzekerheid tot het verleden behoren. Dit vergt overigens ook een structurele herijking van het socialezekerheidsstelsel.

Tegelijkertijd vraagt dat van het huishouden om op verantwoorde wijze om te gaan met het geboden salaris en budget en aan te tonen dat de hoogte toereikend is, zonder te vervallen in overvragen of overbesteding. Hiermee kunnen excessen in honorarium en uitgaven beperkt blijven.

Kentering

Voorwaarde voor deze omwenteling is dat het bestaansinkomen samenleving-breed gedragen wordt. Dit vergt van de huidige grootverdieners op alle gebieden een enorme stap terug. Een exorbitante beloningsstructuur is in een gemeenschap die leeft van een bestaansinkomen niet langer houdbaar. Het doet een levensgroot beroep op solidariteit en het collectief ervaren van de wens welvaart voor iedereen te realiseren.

Alleen wanneer de urgentie van deze omslag in samen-zijn, gemeenschappelijk gevoeld wordt, waarna vrijwillig en weloverwogen afstand wordt gedaan van buitensporige rijkdom, behoort een samenleving zonder armoede tot de mogelijkheden.

Ommekeer

Vanmorgen las ik een krantenbericht over de terugvordering van een Participatiewetuitkering door de gemeente Eindhoven. Een bijstandsechtpaar had van hun volwassen kinderen een behoorlijke periode maandelijks geld gekregen en dat wordt nu teruggevorderd. Opgevraagde bankafschriften toonden de betalingen onweerlegbaar aan. Het geld was onder andere een ‘vergoeding’ voor het feit dat ze vaak bij hun ouders hadden gegeten.

De inhoud

Alles bij elkaar hebben de kinderen € 8.408 aan hun ouders overgemaakt, omgerekend € 420 per maand over een periode van ongeveer een jaar. De zaak is overigens aan het licht gekomen door een anonieme tip. Want in Eindhoven bestaat die mogelijkheid. De tipgever is dus niet naar het gezin gestapt om ze op hun ‘overtreding’ te wijzen (voor zover we weten, want in het artikel staat geen voorgeschiedenis), maar heeft de gemeente ingelicht zonder zichzelf bekend te maken.

De gemeente Eindhoven vordert bijna € 11.000 terug – meer dan het echtpaar heeft ontvangen, waarschijnlijk het gevolg van brutering vanwege de leeftijd van de vordering – en legde in eerste instantie ook nog een boete op van € 1.800. Die boete is na bezwaar gehalveerd, de terugvordering blijft bestaan.

Uiteindelijk is de zaak bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) terechtgekomen. De CRvB is de hoogste (!) bestuursrechter in socialezekerheidszaken. Mevrouw mr. F. Hoogendijk is glashelder in haar vonnis: het echtpaar had er bij stil moeten staan dat die bedragen mogelijk van invloed waren op de bijstand, en de opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellanten (het echtpaar) gebleken omstandigheden.

Dat betekent dat ze nu 10 jaar (!) lang iedere maand € 75 moeten aflossen van hun bijstandsuitkering.

Vergissen is menselijk

Aan de andere kant heeft het Eindhovense college beloofd dat burgers het ‘Recht op vergissen’ zouden krijgen, nadat CDA, ChristenUnie, Denk en VVD met een motie hiertoe kwamen. Eindhovenaren mogen een fout maken zonder dat daar direct een boete aan vastzit, was de bedoeling. Vooral omdat er geen sprake hoeft te zijn van kwaadwillendheid, dan wel dat onbegrip van de wet- en regelgeving een rol kan spelen. De motie zelf is ingetrokken na toezegging van (intussen voormalig) wethouder Yasin Torunoglu om de geest van de motie te omarmen en de directeur sociaal domein Yvonne Bieshaar te vragen of ze dit nadrukkelijk wil communiceren.

Natuurlijk verwijst het bericht in het AD naar de Wijdemerenaffaire, maar ook andere vergelijkbare gevallen, waar landelijk veel ophef over ontstond. In Wijdemeren is de terugvordering ook in stand gebleven na de uitspraak van de heer mr. O.L.H.W.I. Korte van de Centrale Raad van Beroep.

Een juridisch sluitend verhaal. Met de kanttekening dat de belofte destijds van de wethouder niet is beklijfd. Daarnaast valt over het anoniem tips aan de gemeente doorgeven nog wel een en ander te zeggen. Iets met smaakvol en beschaving.

Opwinding

Wat ook opvalt is de opwinding. Vooral van mensen die vinden dat fraudeurs stevig aangepakt moeten worden. Die uitkering wordt ten slotte betaald van hun belastinggeld. Waar zij keihard voor gewerkt hebben. Dus straffen die handel!

Even een rekensommetje. In 2023 bedragen de inkomsten van het Rijk € 366,4 miljard. Daarvan is 21,9% loonbelasting. Dat komt neer op € 80,2 miljard. In Nederland hebben 9,7 miljoen mensen betaald werk. Dat betekent dat we in Nederland gemiddeld € 8.272 per jaar aan loonbelasting betalen. Dat niet iedereen evenveel belasting betaalt, weten we ook. Dat is – helaas – een andere discussie.

De mensen die vinden dat fraudeurs op hún belastingcenten teren, beseffen nauwelijks wat ze zeggen. Technisch gesproken hebben ze gelijk, maar qua persoonlijke bijdrage aan de totale opbrengst loonbelasting, valt hun argumentatie volkomen in het water. Persoonlijk dragen zij slechts 0.00001% bij aan die in totaal € 80,2 miljard loonbelasting. Oftewel: ze hebben op jaarbasis acht en een halve eurocent loonbelasting ‘verloren’ aan de zobenoemde fraude van het Eindhovens echtpaar. Klein bier, heette dat vroeger. Voorwaar iets om je flink over op te winden.

In totaal staat in het vierde kwartaal van 2022 een bedrag van € 570 miljoen aan fraudegerelateerde vorderingen open. Het betreft fraudevorderingen in de bijstand die vanaf 2013 zijn beschikt. Dat betekent dat de afgelopen tien jaar voor gemiddeld € 57 miljoen aan fraudegerelateerde zaken zijn vastgesteld. Ook hier geldt een voorbehoud: de definitie van fraude (opzet, grove schuld, verwijtbaar, verminderd verwijtbaar) is op zijn minst onderwerp van gesprek.

Nu terug naar de opgewonden mensen die keihard werken en belasting betalen. Stel dat het bedrag klopt: € 57 miljoen per jaar aan fraude. Dat is 0,07% van de totale opbrengst inkomstenbelasting. Dat betekent dat iedereen met betaald werk op jaarbasis € 588 ‘kwijtraakt’ vanwege gepleegde fraude. Dat is minder dan € 49 per maand.

Best een aardig bedrag, maar niet bepaald wereldschokkend. Zeker niet omdat wij en zij het niet rechtstreeks in onze portemonnee voelen. De loonbelasting is immers al afgedragen. Natuurlijk is het een welkom bedrag, die € 12,50 per week. Voor sommigen heel wat. Zeker wanneer je van een minimum moet rondkomen. Zoals het Eindhovens echtpaar dat de touwtjes nog maar nauwelijks aan elkaar geknoopt krijgt en zodoende door hun kinderen wordt gesteund. Maar om nou te beweren dat het daarom per definitie profiteurs zijn die het vel over de oren gehaald moet worden, gaat erg ver.

Handhaving tegen de klippen op

Nog een ander gezichtspunt. Wat is eigenlijk het prijskaartje van al die (harde) handhaving? Het hele traject loopt over nogal wat schijven: van tiplijn naar sociale recherche, naar bijstandsconsulent, naar kwaliteitsmedewerker, naar ambtenaar terugvordering en verhaal, naar bezwaarcommissie, naar beroep bij de bestuursrechter, naar hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en uiteindelijk naar de medewerker uitkeringsadministratie om de terugvordering (mogelijk geautomatiseerd) maandelijks te verrekenen.

Dat moet toch een lieve cent kosten. De vraag is natuurlijk of al die personele, juridische en automatiseringskosten wel opwegen tegen het terug te vorderen bedrag. Of doen die uitgaven niet ter zake, omdat fraude nooit mag lonen en te vuur en te zwaard bestreden moet worden?

Kosten waarvoor die opgewonden belastingbetaler overigens ook opdraait. Zou hij dat wel beseffen in zijn blinde drift?

Onschuldpresumptie

In het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) staat de onschuldpresumptie uitdrukkelijk vermeld. In het Engels: innocent until proven guilty. Dat is het uitgangspunt, ook in de Nederlandse rechtspraak. Iemand is pas schuldig als het vermoeden van onschuld met onweerlegbare feiten weersproken wordt. In het verhaal over het Eindhovens echtpaar is de schuld – vanuit juridisch oogpunt – onomstotelijk vast komen te staan. De bankafschriften spreken duidelijke taal. Toch is er iets in de argumentatie van de rechter, dat ruimte biedt voor een nuance in dit relaas. Zij zegt: “Het echtpaar had er bij stil moeten staan dat die bedragen mogelijk van invloed waren op de bijstand”. Daarin zit de veronderstelling dat het echtpaar dezelfde taal spreekt en hetzelfde begrippenkader hanteert als de ambtenaar die hen destijds heeft geïnformeerd over de rechten en plichten van iemand die een Participatiewetuitkering ontvangt.

Dat is nogal een aanname. Want wat is inkomen nou precies? Geld dat je krijgt omdat je werkt. Natuurlijk. Geld dat je ontvangt omdat je een (andere) uitkering krijgt. Natuurlijk. Geld dat je van je kinderen krijgt omdat ze bij je eten en ze niet willen dat je daardoor financieel in de knel komt. Minder natuurlijk. Het kan daarom heel goed zijn dat het echtpaar vanuit een andere definitie van inkomen de uitgelegde rechten en plichten uitstekend heeft toegepast. Want geld van je kinderen krijgen is geen inkomen, maar een lief steuntje in de rug in barre tijden.

Daarom bij deze het pleidooi voor de introductie van een nieuw begrip: naïviteitspresumptie. Mensen kunnen in gesprek met vertegenwoordigers van overheidsinstanties volmondig bevestigen dat ze het begrepen hebben en er tegelijkertijd volkomen naast zitten. Eenvoudigweg omdat ze een andere inhoudsbepaling en woordverklaring bezitten dan de ambtenaar die tegenover ze zit. Twee werelden die schijnbaar in overeenstemming zijn, maar in de praktijk botsen en langs elkaar heen praten, omdat er op fundamenteel niveau een verschillende taal wordt gesproken. Beiden doen hun best, maar de boodschap is niet overgekomen, omdat begrippen wederzijds onvoldoende zijn geijkt. N.B.: tussen ambtenaren onderling kan dit verschijnsel eveneens optreden. Met alle gevolgen van dien.

De stelling “Het echtpaar had er bij stil moeten staan dat die bedragen mogelijk van invloed waren op de bijstand”, komt daarmee in een geheel ander licht te staan. Want de ambtenaar heeft in alle naïviteit gedacht dat het goed is uitgelegd en het echtpaar heeft in alle naïviteit gedacht het goed begrepen te hebben. Ierse toneelschrijver en winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur George Bernard Shaw schreef het al: “Het voornaamste probleem van communicatie is de illusie dat het heeft plaatsgevonden.”

Wat zou het mooi zijn als de rechter dit verschijnsel, de ruis tussen de communicatiepartners, zou meenemen in haar uitspraak door naïviteitspresumptie onderdeel te laten zijn van de overwegingen in het vonnis. Wat mogelijk tot een heel andere beslissing zal leiden.

Landsadvocaat

Laatste invalshoek. Afgelopen 2 juni 2023 kreeg de Tweede Kamer een brief van demissionair minister Dilan Yeşilgöz-Zegerius van Justitie en Veiligheid. Daarin meldt zij de kosten die de landsadvocaat, de advocaat van de Nederlandse staat, in het jaar 2022 in rekening heeft gebracht. Sinds 1 september 2018 is Reimer Veldhuis landsadvocaat en geeft bij advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn leiding aan de afdeling Centrale overheid. Verdeeld over diverse ministeries en kostenposten heeft Reimer Veldhuis met zijn afdeling in totaal € 34.914.000 gedeclareerd. Ik herhaal: afgerond € 35 miljoen.

Dit zijn de landsadvocaat met zijn team die destijds minister Carola Schouten hebben geadviseerd te volharden in haar weigering studenten de energietoeslag toe te kennen. In een uitgebreide motivering acht hij de uitsluiting van die groep verdedigbaar, ondanks diverse rechtszaken die studenten in het gelijk stelden.

Ook is de landsadvocaat degene die tot het uiterste ging om een gedupeerde van de Belastingdienst geen toegang te geven tot zijn eigen dossier. Bovendien is hem bij voortduring om advies gevraagd tijdens het zich nog altijd voortslepende, mensonterende toeslagenschandaal, wat onder meer blijkt uit zijn verweerschrift over de aangifte van toenmalige staatssecretarissen Alexandra van Huffelen en Hans Vijlbrief tegen ambtenaren van de Belastingdienst vanwege mogelijke knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Die aangifte was niet nodig geweest, want de ambtenaren hadden niks strafbaars gedaan.

Weten deze opgewonden mensen die protesteren tegen het verkwanselen van hun loonafdracht over het zuurverdiende geld, dat zij Veldhuis mede bekostigen van hun belastingcenten? Dat ze maandelijks € 30 meebetalen aan een landsadvocaat die ervoor zorgt dat de rechten van mensen structureel belemmerd worden, in samenwerking met een overheid die eindeloos kan procederen vanwege een onuitputtelijke financiële bron? Mensen zoals – mogelijk – zijzelf; of hun kinderen die (straks gaan) studeren en op kamers wonen?

Ommekeer

Het is de selectieve verontwaardiging die zoveel verbazing wekt. Woede die niet zelden op onwetendheid, halve waarheden en desinformatie is gebaseerd. Frustratie die wordt gevoed door angst voor verlies, een persoonlijk trauma, misplaatste jaloezie of gebrek aan welbehagen over de eigen situatie. Het wantrouwend mensbeeld dat als een spook door onze samenleving waart, schiet steeds dieper wortel, tiert welig als heermoes of witte klaver en lijkt onuitroeibaar. De onwil ook om iets tot de bodem uit te zoeken voordat een mening de ether in wordt geslingerd, is hardnekkig. De razende reactie vaak, die van geen nuance wil weten, het vuur bij anderen oppookt en polariserend een spoor van vernieling trekt, aangewakkerd door rücksichtslos fanatisme dat geen onderscheid meer ziet tussen feit en fictie.

Het oordeel is al geveld. Zonder de situatie persoonlijk te kennen. Want is er nou werkelijk sprake van verrijking door het Eindhovens echtpaar? Leven ze echt in weelde en profiteren ze gewetenloos van overheidsgeld? Natuurlijk niet. Er is helemaal geen rijkdom door misbruik van gemeenschapsgeld. Zoals er in de meeste gevallen van (zogenaamde) fraude helemaal geen overvloed is aan te wijzen.

Het juridisch verhaal kan me gestolen worden. De oorzaak ligt bij fundamenteel gebrek aan bestaanszekerheid als gevolg van een verwrongen mensbeeld op basis van institutioneel wantrouwen. De overheid werkt dit soort gedrag zelf in de hand. Garandeer een bestaansinkomen en wat nu (in de meeste gevallen) fraude wordt genoemd behoort (in de meeste gevallen) tot het verleden. Het is geen fraude, het is overlevingsdrang, teweeggebracht door een wetgever die aan cognitieve dissonantie lijdt, waar de degene die (noodgedwongen) een beroep doet op inkomensondersteuning, het slachtoffer van wordt. De structurele onbetrouwbaarheid zit bij de (lokale) overheid, niet de burger.

Want het is een mythe die om onbegrijpelijke redenen in stand wordt gehouden. De mythe dat deze oplichters wentelend in een zwembad vol geld als Dagobert Duck door het leven gaan. Het drogbeeld van dikke auto’s en reusachtige televisies. Een schofferende representatie, die door menig ambtenaar, beleidsmedewerker, bestuurder, politicus en burger gecultiveerd en verdedigd wordt. Omdat het op een of andere manier in de (persoonlijke of politiek-bestuurlijke) agenda past.

Hamvraag blijft wat de gemeente Eindhoven nou precies wil uitdragen met deze maatregel. Welke boodschap zendt ze uit? Wat willen bestuurders, beleidsmakers en uitvoerders ons vertellen? Welke innerlijke drijfveer of strategische overwegingen noopt hen ertoe dit echtpaar op deze manier aan te pakken? Kan iemand daar een antwoord op geven?

Het is de hoogste tijd om op te houden met het nemen van dit soort besluiten. Want het gif van het waanidee dat mensen met een uitkering potentiële profiteurs en fraudeurs zijn, sijpelt steeds dieper door in onze maatschappij. Stop met verspreiding ervan. Het is tijd voor een radicale remedie. Een draai van honderdtachtig graden naar vertrouwen, mededogen, liefde, persoonlijke betrokkenheid. De enige manier om dit tij te keren.