Maarten Bergman

20 berichten

Banden smeden over de grens heen

Tijdens het lezen van het boek Armoede uitgelegd aan mensen met geld van Tim ’S Jongers en de NRC column Een hartgrondig gvd van Youp van ‘t Hek, werd ik overvallen door een gedachte: hoe komt het eigenlijk dat er geen échte beweging zit in de aanpak van armoede en schulden? Nu ik de afgelopen dertig jaar overzie – de jaren dat ik in de wereld van armoede en schulden werk – valt me iets cruciaals op: er is geen verbinding.

Er bestaan grofweg twee bubbles zodra het over armoede en schulden gaat. De kring waar men vanuit betrokkenheid, beroep of ervaringskennis is aangesloten op het leed dat door financiële problematiek wordt veroorzaakt. En de kring waar men er niet mee begaan is, omdat er geen betrokkenheid bestaat en geen direct contact met mensen met financiële problemen. Deze twee werelden existeren strikt gescheiden naast elkaar.

In de eerste wordt met grote regelmaat gesproken over, onderzoek gedaan naar en geld vrijgemaakt voor het bestrijden van armoede en schuldenproblematiek. Publicaties struikelen over elkaar om via diverse gezichtspunten, strategieën en beleidsterreinen het vraagstuk te fiksen. Vooralsnog zonder merkbaar effect. Wel spreken we elkaar aan en luisteren en bevestigen we dat we het roerend met elkaar eens zijn en dat het nou toch eindelijk eens goed aangepakt moet worden. Soms wordt er gezellig samen gemopperd. Evenmin met veel gevolg. Dit is zichtbaar op sociale media zoals LinkedIn en X, maar ook tijdens de vele congressen, bijeenkomsten en debatten. Bijval is meestal niet van de lucht, klaterend applaus en felicitaties evenmin. Mild chargerend: we preken voor eigen parochie.

In de tweede wordt niet of nauwelijks over de problematiek gedacht of gesproken. Armoede en schulden behoren niet tot die leefwereld. Hoogstens als het over die arme kindertjes in Afrika gaat. In dit milieu bestaat ook bijna geen bewustzijn of weten over de problematiek in Nederland. Wanneer diegenen een praktijkvoorbeeld wordt voorgeschoteld, zijn ze sprakeloos en ontstaat een (meestal kortstondig) gevoel van schaamte en verbijstering, of is het antwoord reflexmatig: moeten ze maar (harder) gaan werken; ze hebben het er zelf naar gemaakt; waar een wil is, is een weg; profiteurs die parasiteren op onze belastingcenten. Er bestaat geen belangstelling of mededogen. Onverschilligheid troef. Dat (ongewenste) deel van de samenleving bevindt zich immers in de marge, aan de andere kant van de kloof, en is dus oninteressant. Hoogstens een last voor de economie.

Zoals gezegd, deze twee werelden bestaan los van elkaar. Soms komen ze even met elkaar in aanraking. Tijdens een televisieprogramma, een benefietvoorstelling of een paneldiscussie georganiseerd door een studiecentrum. Waar het verschil van inzicht keurig afgebakend blijft en de dagvoorzitter zonder overtuigingskracht pogingen doet hoopgevende ontwikkelingen te schetsen. Daarna gaat ieder weer zijns weegs. Terug naar de kudde waartoe ze behoren. Iedere toenadering in de kiem gesmoord. Status quo vakkundig gehandhaafd.

De afgelopen drie decennia zie ik de bekende experts, specialisten en geleerden uit de eerste bubble in relatief klein gezelschap met elkaar optrekken. Zij vormen de frontlinie. We weten allemaal wie dat zijn. Ze vertolken al heel lang hetzelfde geluid, vooralsnog zonder veel resultaat. Dat komt deels ook omdat ze menen te moeten wikken en wegen: hoeveel kan ik zeggen zonder mijn luisterend oor (bij de mensen die ‘aan de knoppen draaien’) te verspelen? Belangen, positionering, netwerk, angst status en krediet te verbeuren. Waar sommigen in het begin nog van leer trokken, hebben ze hun toon nu gematigd, omdat ze nu ook tot de fine fleur behoren. Omzichtig formulerend, ieder woord op een goudschaaltje, niemand voor het hoofd stotend, krachteloze teksten, liters water bij de wijn. Netto opbrengst te verwaarlozen.

De andere bubble heeft een duidelijke identiteit, maar geen bekende mensen die het gezicht vormen. Natuurlijk zijn er politici die hun boodschap verkondigen over mensen die in armoede leven, maar hen bedoel ik niet. In zekere zin is het ook wel logisch dat die andere bubble amper herkenbare vertegenwoordigers kent, misschien op iemand uit het bedrijfsleven na die het tot multimiljonair heeft geschopt. Ergens ook wel te begrijpen: naar het bestaan van rijkdom in combinatie met onwetendheid over armoede wordt volgens mij geen onderzoek gedaan. Succesverhalen daarentegen vullen vele docusoaps, maar dat zijn vooral egodocumenten om te getuigen van een maakbare wereld waarin iedereen een topper kan worden. Als je maar echt wil, ambitie toont en je kansen grijpt. Dan is niets onmogelijk.

Ruyi Bridge voetgangersbrug in Taizhou, Zhejiang, China

Eigenlijk kan het niemand verbazen dat er geen beweging zit in het oplossen van armoede en schulden: er is (nog) geen bruggenbouwer die deze twee werelden in de diepte aan elkaar voorstelt. Terwijl daar nu meer dan ooit behoefte aan is. Er is niemand opgestaan die de karikatuur achter zich laat en de kloof tussen de twee belevingswerelden weet te dichten. Iemand die de taal van beiden spreekt, die niet alleen uit is op lof van eigen entourage of een schouderklopje voor communicatief en politiek zorgvuldig laveren. Iemand die laat zien dat polarisatie desastreus is. Die het lijden voelbaar kan maken, die mensen kan bewegen tot inzet, tot bijdragen aan een duurzame oplossing. Iemand die de verschillen belangeloos overstijgt – desnoods in scherpe bewoordingen.

Iemand die zorgt dat welvaart, welzijn en bestaansveiligheid een vanzelfsprekendheid zijn waaraan iedereen wil bijdragen, ongeacht afkomst, (politieke) ideologie of plek op de sociaalmaatschappelijke ladder. Iemand die vanuit het hart spreekt en het hart van de ander opent. Zodat opvattingen transformeren, het vertrouwen herstelt, de samenleving zich verenigt en besef van eenheid vorm krijgt. Om te bewerkstelligen dat het ontstaan van armoede en schulden volwaardig wordt verlicht. Letterlijk en figuurlijk. Zonder hyperbool of drama. Maar gewoon. Omdat we er als geheel van groeien.

Professionele deflectie: een dodelijk kunstje

Wantrouwen ten opzichte van de overheid is al jaren een heet hangijzer. In de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen heeft achterdocht volgens vele duiders en experts een doorslaggevende rol gespeeld. De (on)verwachte ruk naar (radicaal) rechts wordt in de media verklaard door te wijzen naar groeiend gebrek aan geloof in de goede bedoelingen van de overheid. De vraag is alleen of deze (enigszins) eenvoudige verklaring hout snijdt. Ligt het echt bij de overheid, of bij vertegenwoordigers van de overheid? Zo bekeken, ligt de bron van het wantrouwen mogelijk dichterbij.

De manier waarop de overheid (een abstract begrip dat het sowieso lastig maakt aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid ergens neer te leggen) zich de laatste jaren heeft gepresenteerd, verdient allesbehalve de schoonheidsprijs. De zich nog altijd voortslepende toeslagenaffaire heeft, naast de gaswinning in Groningen en afwikkeling van de aardbevingsschade, diepgewortelde institutionele discriminatie en ongekend systeemfalen blootgelegd. Recente berichtgeving over dezelfde misstanden bij UWV en DUO bevestigen dat alleen maar. Daarnaast is de wetgeving in het socialezekerheidsstelsel voor een aanzienlijk deel gebaseerd op wantrouwen ten aanzien van de burger. Bovendien heeft de ontmanteling van de verzorgingsstaat en het in het leven roepen van de participatiesamenleving voor velen grote gevolgen gehad, omdat voorheen vanzelfsprekende ondersteuning ineens betaald moest worden of geheel wegviel, zonder een geboden alternatief.

Dat heeft bij heel veel mensen kwaad bloed gezet, niet zelden omdat ze zelf slachtoffer zijn (geweest) van bovengenoemde misstanden. Vervolgens worden politici en bestuurders via onderzoeken ter verantwoording geroepen, maar zij ontspringen veelal de dans en vinden hun heil elders. Sterker nog: terwijl enquêtecommissies vernietigende rapporten produceren, draait de banencarrousel op volle toeren.

Tel daarbij de vele crises op die de kop opsteken: inflatie, armoede, energie, wonen, klimaat, onderwijs en zorg, en de chaos lijkt compleet. De meerderheid van de Nederlandse bevolking komt in aanraking met een of meerdere van deze levensgroot opdoemende vraagstukken. Ook hierop heeft de politiek geen sluitend antwoord en wijst naar de Europese Unie als boosdoener of trekt zich terug in onheilspellend stilzwijgen. Er is in ieder geval geen sturend centrum dat de teugels in handen neemt en het land en haar inwoners op weg helpt richting het licht aan de horizon waar aan duurzame bestaansveiligheid gewerkt wordt.

Dit complex aan (onder)stromen en opgaven voedt het ongenoegen en de polarisatie, mede aangewakkerd door reguliere en social media. Slimme politiek leiders grijpen die groeiende onvrede aan om zieltjes te winnen, lopen voorop in framing en oversimplificatie, en moedigen mensen aan de randen van vrijheid van meningsuiting en democratie op te zoeken, terwijl ze spierballentaal bezigend gretig zondebokken aanwijzen en pertinente leugens verkondigen. De laatste uitwas van het promoten van dit radicale wereldbeeld door politici, is de burger die zich soeverein en autonoom verklaart met alle gevolgen van dien.

Stapeling

Intussen is er een stortvloed aan artikelen verschenen die op allerlei manieren de verharding, de polemiek en de groeiende kloof tussen partijen en bevolkingsgroepen tracht te verklaren. Maar een steekhoudend verhaal blijft uit. Natuurlijk wordt naar de opeenhoping van eerdergenoemde crises gekeken – die door vingerwijzen en suggestieve berichtgeving aan de gebruikelijke verdachten worden toegewezen. Natuurlijk wordt geconcludeerd dat deze crises een passende respons vergen. Natuurlijk is duidelijk dat die respons uitblijft. Waardoor het onbehagen groeit, mensen in opstand komen en als uitdrukking van dat misnoegen vooral tegenstemmen. Wat het einde van de beschouwing lijkt.

Maar daar houdt het natuurlijk niet op. De vraag is hoe het komt dat er geen passende respons is. De vraag is waarom het traditionele onderscheid tussen progressief en conservatief (en het onderlinge gekissebis tussen die twee) de kwestie alleen maar complexer maakt. De vraag is waarom links en rechts typeringen zijn die de lading niet langer dekken. De vraag is waarom zoveel mensen zich niet meer herkennen in het klassieke politieke landschap en het geraffineerd populisme de boventoon voert. Daarop blijft men de antwoorden schuldig. Terwijl een antwoord feitelijk niet moeilijk te vinden is.

Want de verbale handigheid die iedere bestuurder en politicus tegenwoordig bezit – na vermoedelijk vele uren oefenen in mediatrainingen onder leiding van duurbetaalde communicatieadviseurs – zorgt voor een onverwachte bijwerking. Want mensen voelen feilloos aan dat de gesproken woorden geen of nauwelijks waarheid bevatten en ze beseffen dat ze in het ootje genomen worden door de behendig fabulerende bewindspersoon. Ze voelen aan hun water dat ze met een kluitje in het riet gestuurd worden. En dat wekt woede en frustratie op. Omdat het door de burger uitgesproken en ervaren wantrouwen en onbegrip opnieuw wordt beantwoord met onzuivere koffie.

Kiezers zetten zich af omdat ze zich op basaal niveau realiseren dat ze niet serieus genomen worden. Dat een web van halve waarheden en hele leugens gesponnen wordt in een narratief zonder bodem. Dat de glimlach een façade is. Dat de gedebiteerde betrokkenheid en schaamte vals is. Dat de belofte om het beter te gaan doen holle retoriek is. Daar wordt het zaadje geplant. Daar ligt de kiem van het versterken van het fundamenteel wantrouwen. Daar ligt de oorzaak van de politieke aardverschuiving.

Politici hebben zichzelf gediskwalificeerd. Ze hebben ieder greintje geloofwaardigheid verkwanseld door professionele deflectie, die tot zogenaamde kunst is verheven. Geen enkele vraag van een journalist of presentator wordt beantwoord. Binnen de kortste keren wordt er een draai gemaakt en een vooraf bekokstooft verdichtsel verkondigd. Een mythe die weinig tot niets met de gestelde vraag te maken heeft. Waarna de politicus in kwestie tevreden voor zich uit kijkend constateert dat het goed gegaan is. Terwijl hij of zij niet begrijpt dat de afstand tussen hem of haar en de luisteraar of kijker alleen maar groter is geworden door het gewiekste betoog. Er is geen begrip ontstaan, alleen maar weerzin. Omdat de subtekst helder is: ik vertel mijn eigen verhaal en neem jullie per definitie niet serieus.

Omslag

Het is verbazingwekkend dat politiek Nederland dat niet in de gaten heeft. Sterker nog: het is verbijsterend dat ze niet zien dat de partijen nu zegevierend uit de laatste verkiezingen zijn gekomen, veel beter in staat zijn aan te sluiten bij dat wat er in de samenleving leeft. Het is ongelooflijk dat de gevestigde orde niet aanvoelt dat ze met ieder ontwijkend antwoord, hun eigen ruiten blijvend ingooien en kiezers nog meer in de armen van (radicaal) rechts drijven.

Wanneer men het tij wil keren, men wil voorkomen dat we een radicaal-rechtse regering krijgen die grondwettelijke verworvenheden aan de laars lapt en Nederland isoleert van de rest van Europa – behalve medestanders zoals de Italië en Hongarije – zal men moet stoppen met dit dodelijke kunstje.

Mensen zien niet alleen het onbetrouwbare gedrag van de overheid, maar vooral het onbetrouwbare gedrag van degenen die de overheid vertegenwoordigen. Wanneer die vertegenwoordigers hierin volharden en zo het wantrouwen alleen maar vergroten, gaat het niet goedkomen. Uiteindelijk laten mensen zich niet voor de gek houden. Intuïtie vertelt hen loepzuiver dat gedrag en woorden niet kloppen, dat het vertelde verhaal te wantrouwen is, dat uitgekiende woordkeus niet hetzelfde is als de waarheid vertellen, dat de goede bedoelingen schroot onder een dun laagje chroom zijn. Daarop is de politiek keihard afgerekend. Hoogste tijd om daar lering uit te trekken. Anders is de uitslag van de laatste verkiezingen geen incident, maar het begin van een reeks.

Zelforganiserende structuren

The greatest enemy of knowledge is not ignorance, it is the illusion of knowledge.

Daniel Joseph Boorstin (1914 – 2004)

In de natuur doen zich veel bijzondere fenomenen voor. Eén van die fenomenen is het proces van zelforganisatie. Denk bijvoorbeeld aan kristallisatie onder hoge druk, een kudde gnoes en zebra’s op de savanne, een zwerm spreeuwen vlak voor zonsondergang of het adembenemende dansen van een school haringen. Een in eerste instantie chaotisch systeem gaat ongeleid interacties aan en vormt zo (schijnbaar vanzelfsprekende) bewegingen en structuren. Ook ons zonnestelsel is een voorbeeld van zelforganisatie; in dit geval onder invloed van onder andere zwaartekracht.

Voor het verschijnsel zelforganisatie bestaan diverse natuurkundige verklaringen en wiskundige definities, zoals de gulden snede en de rij van Fibonacci. De gulden snede toont ook aan dat het optreden van zelforganisatie vaak esthetisch aangenaam is: we vinden het mooi. Zoals we de spiralen van de romanesco bloemkool fascinerend vinden, net als de rangschikking van de zaden in het hart van een zonnebloem of het patroon van de schubben van een dennenappel.

Keerzijde

Zodra mensen zich in grote getale bewegen, ontstaan er net zo goed structuren. Kijk maar eens naar de film Koyaanisqatsi uit 1982, waarin regisseur Godfrey Reggio, begeleid door de hypnotiserende muziek van Philip Glass, dat in vertraagde en versnelde beelden laat zien. Tegelijkertijd onthult die film ook de onbalans, de fragmentatie en ontworteling van ons huidige bestaan. Wat de roep om een fundamentele ommezwaai, het verlangen naar een andere manier van leven, des te pregnanter maakt.

Zelforganisatie heeft ook een, minder aangename, keerzijde. De natuur laat dit opnieuw heel goed zien. De mierenmolen (ant mill) is het meest aansprekende voorbeeld. Want wat gebeurt er?

Trekmieren communiceren met elkaar en volgen elkaar met behulp van feromonen. Ze leven niet in mierenhopen, zoals de meeste andere miersoorten. De kolonie trekt in zijn geheel door het oerwoud, voortdurend op zoek naar voedsel. Trekmieren zijn zeer agressieve mieren. Hun rooftocht laat vaak een spoor van vernieling achter. Tijdens die onverzadigbare rooftocht kan een (klein) deel van de kolonie wel eens letterlijk het spoor bijster raken. Ze verliezen contact met de foeragerende meute omdat ze de chemische broodkruimels, de feromonen, hebben gemist en verdwalen vervolgens.

Ze raken afgescheiden van de kolonie, want de mieren weten immers niet beter dan elkaars feromonen te volgen. Het gaat mis omdat ze het contact met de kolonie zijn kwijtgeraakt. Desondanks blijven de afgesplitste mieren feromonen afscheiden om hun pad aan te geven. Een misleidend pad voor de degene die er achteraan loopt. Want het leidt nergens toe. Immers, wanneer iedereen zijn voorganger volgt, loopt er niemand voorop en iedereen achter elkaar aan. Op dat moment kan een mierenmolen ontstaan, waarin de mieren elkaar in een dodenspiraal volgen. Die soms tientallen meters in doorsnee kan zijn. Er is geen begin en geen einde meer.

Mieren die in zo’n dodelijke cirkel achter elkaar aan marcheren, als in een danse macabre, dat kan er van buiten af wellicht mooi uitzien, het einde is dat meestal niet. Het gebeurt maar zelden dat de spiraal zichzelf oplost en de bedwelmde mieren het spoor van hun verloren volk herontdekken. Meestal sterven de mieren in die molen van honger en uitputting, omdat ze geen uitweg ontdekken uit de enige oplossing die ze kennen: volg de feromonen.

Schuldhulpverlening

Het beeld bleef me bij en ik zag vrijwel direct een parallel met het sociaal domein in het algemeen, en schuldhulpverlening in het bijzonder. Want laten we wel wezen, we lopen toch al jaren in kringetjes achter elkaar aan?

Schuldeisers, incassobureaus, deurwaarders, schuldhulpverleners, beschermingsbewindvoerders, Wsnp bewindvoerders, detacheringsbureaus, opleidingsinstituten, onderzoeks- en adviesbureaus, koepelorganisaties, belangenbehartigers, beroepsverenigingen, stichtingen, lectoraten, universiteiten, hogescholen, commissies, politici, beleidsmakers, bestuurders, ervaringsdeskundigen, vrijwilligers, rechters, advocaten, sociaal raadslieden. Een overbevolkt eiland dat is losgeraakt van het vasteland en reddeloos verloren afdrijft.

De complete schuldenindustrie heeft zich afgesplitst van de rest van het sociaal domein en dreigt een steeds groter deel van het sociaal domein mee te slepen. Alle deelnemers lopen achter elkaar aan in een kringloop die geen oplossing meer kent. Alleen een interventie van buitenaf kan de betovering nog verbreken, zoals in de ballade van de tovenaarsleerling van Johann Wolfgang von Goethe, waar de niet volleerde leerling wordt gered door ingrijpen van zijn oude meester.

In de schuldenindustrie helpt magie niet. Een wonder misschien wel. Want niemand is gebaat bij het eindeloos rondjes draaien. Niemand is gebaat bij een miljarden verslindende onderneming die een wereldschokkend groot negatief rendement heeft. Niemand is gebaat bij het rondpompen van geld waarvan iedereen claimt er recht op te hebben, maar dat uiteindelijk van niemand is.

In de bijbel wordt in Deuteronomium 15 vers 1 en 2 al gesproken over kwijtschelding: “Na verloop van zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen. Dit nu is wat de kwijtschelding inhoudt: iedere schuldeiser die iets aan zijn naaste geleend heeft, moet hem dat kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen.” Men begreep toen al heel goed dat iemand eindeloos met schuld achtervolgen onmenselijk is.

In 2019 werd gepleit voor een landelijk generaal schuldenpardon. Een oplossing die vanuit zowel financieel als humaan oogpunt uitstekend te verdedigen is. Tegelijkertijd speelt de gereformeerde opvatting dat we moeten boeten voor onze schulden kennelijk nog een grotere rol dan we vermoeden dan wel wensen toe te geven, waardoor dat voorstel nooit serieus genomen is.

We menen het allemaal zo goed te weten. Een tsunami aan onderzoeken, rapporten en adviezen veronderstelt alle opvattingen en inzichten en wijzigingen te stutten. Een illusie, blijkt. Want de afgelopen 25 jaar is er akelig weinig vooruitgang geboekt.

Heraansluiting

Misschien kunnen we het opnieuw aan ons inherente zelforganiserend vermogen overlaten. De hypnose en verlamming van het feromonenspoor van wet- en regelgeving loslaten en op kleine schaal verbinding zijn werk laten doen. Ons op de natuurlijke gang der dingen verlaten en die stroom volgen. De wijze raad van oude mannen ter harte nemen zodat de begoocheling openbreekt en het wonder kan geschieden. In het volle vertrouwen dat niemand het zeker weet en alles mogelijk is. Het wordt waarschijnlijk mooier dan we ooit hebben kunnen bedenken.

Broddelwerk contra bestaanszekerheid

Afgelopen 1 juli 2023 is de wetswijziging van de Faillissementswet ingegaan. De wettelijke schuldsaneringsregeling is ingrijpend gewijzigd, met als voornaamste aanpassingen de verkorting van de looptijd, de inkorting van de te goedertrouwtoets en het schrappen van de tienjaarstermijn bij hernieuwd beroep op het wettelijk traject. Dit heeft logischerwijs ook tot verstrekkende veranderingen in het buitengerechtelijke traject schuldhulpverlening geleid. Tegelijk heerst er nog veel onduidelijkheid over alle gevolgen. Zeker nu er rechters en schuldeisers zijn die de herzieningen bekritiseren of zelfs deels negeren.

Solistisch en overhaast

Om te beginnen bleek al snel dat de verschillende ministeries, koepelorganisaties en adviesorganen opnieuw niet gezamenlijk zijn opgetrokken. De aangekondigde ingangsdatum van de wetswijziging van 1 januari 2024 werd in 2022 door betrokken partijen met verbazing ontvangen. Waarom toch zo lang wachten? Onder andere onder druk van vroegtijdig anticiperen op de nieuwe wetgeving door minister Schouten en de NVVK, heeft minister Weerwind uiteindelijk besloten de wijzigingen per 1 juli 2023 in te laten gaan. Zonder goed beeld te hebben van de haken en ogen. De geschiedenis blijft zich herhalen. Bij de vereenvoudiging van de beslagvrije voet in 2021 (die helemaal geen vereenvoudiging blijkt in de praktijk), zijn dezelfde fouten gemaakt. De incompetentie en het gebrek aan regie stralen er weer van af. Niemand beseft dat er een gezamenlijk opgave bestaat, men etaleert hoogstens een zweem van plichtmatige urgentie. Het blijft een potje grootspraak en wensdenken. Het leervermogen van de wetgevers en beleidsmakers blijkt opnieuw niet bestaand. Men suggereert van alles, maar kan niets waarmaken. Of de bewust gemaakte keuzes zijn zodanig dat vooral electorale belangen en posities in de schuldenindustrie behartigd worden.

Diverse amendementen in de wetswijziging hebben ervoor gezorgd dat burgers met financiële problemen sneller van hun schulden af zijn. Het juk van jarenlang boeten voor de schuld is een stuk lichter geworden. Gedwongen van een minimum leven – dat eigenlijk al lang niet meer houdbaar is als (sociaal) minimum – is draaglijker geworden nu de finishlijn een stuk dichterbij ligt. Tegelijkertijd blijft de vraag of de doorstroom met deze wijzigingen bevorderd wordt, zoals in de titel van de wetswijziging staat. Het lijkt eerder een amechtige poging de zieltogende Wsnp te reanimeren. Waarschijnlijk een vergeefse krachtsinspanning. Zeker wanneer het politieke klimaat na de aanstaande verkiezingen verandert en burgers met schulden niet langer met fluwelen handschoen worden behandeld.

Verwarring en chaos

Intussen hebben rechters in vonnissen al gesteld dat er sprake is van rechtsongelijkheid, dat redelijkheid en billijkheid onvoldoende zijn verankerd in de wetswijzigingen, stellen schuldeisers aanvullende eisen in het minnelijke traject waardoor in de praktijk de looptijd alsnog verlengd wordt, overheerst alom frustratie over het mankerende overgangsrecht, bestaat er door grote gemeentelijke beleidsvrijheid een onwenselijk verschil in aanbod per gemeente, worstelt de schuldhulpverlener met het nieuwe ritme van hercontroles en herberekeningen (waarover niet is nagedacht), bestaat de angst dat de materiële looptijd van de Wsnp onvoldoende is om alle werkzaamheden zorgvuldig uit te voeren, gaan schuldeisers mogelijk eerder beslag op inkomen leggen omdat een schuldsanering nog minder oplevert, vrezen beschermingsbewindvoerders niet alleen dat ze nog minder tijd krijgen, maar ook dat het (verdienmodel) schuldenbewind gaat verdwijnen, willen schuldeisers garanties wat betreft het voorkomen van recidive en ontbeert het minnelijk traject nog altijd slagkracht omdat het geen juridische basis kent.

Kortom: er wordt aan de achterkant en halverwege het traject aan van alles gemorreld en geknutseld, maar helpen doet het allemaal niet. De uitgesproken ambitie om burgers met financiële problemen na beëindiging van het traject via interventies financieel redzaam te maken, het traject schuldhulp als tweetrapsraket presenterend (eerst oplossen, daarna opvoeden), lijkt eveneens een holle frase. Zeker omdat nooit goed is onderzocht en vastgesteld wat financieel redzaam precies betekent, laat staan dat we weten hoe effectief die vele interventies zijn.

Om nog maar te zwijgen over het feit dat we wél weten dat er een groeiende groep burgers is die structurele ondersteuning nodig heeft, omdat ze simpelweg niet (meer) kunnen meedoen in deze complexe (digitale) wereld en het utopische modelgedrag nooit zullen leren. Niet uit onwil, maar vanwege de onmogelijkheid die vaardigheden onder de knie te krijgen. Een groep die wel duidelijk in beeld is aan de voorkant van het sociaal domein, zoals in buurthuizen en bij vrijwilligersorganisaties. Helaas wordt van die vindplaats nog steeds veel te weinig gebruik gemaakt, omdat territoriumdrift en denken in eilandjes de boventoon blijven voeren. Ook hier is geen sprake van samenwerking in de ware zin van het woord. Terwijl diverse publicaties helder de vinger op de zere plek leggen [Spectrum augustus 2023].

Rekensommen

Een ander punt dat maar niet voor het voetlicht komt, is de financiële investering in een traject schuldhulpverlening versus de opbrengst ervan. Weliswaar wordt in Schuldhulpverlening loont! [Regioplan juli 2011] verondersteld dat elke euro die gemeenten aan minnelijke schuldhulpverlening besteden, op andere plekken – zoals minder huisontruimingen en korter gebruik van uitkeringen – leidt tot gemiddeld twee euro aan kostenbesparing, maar vertelt de Benchmark Armoede en Schulden [Divosa 2018] een heel ander verhaal.

In een video stelt Divosa dat schuldhulpverlening in een fictieve gemeente van 50.000 inwoners gemiddeld € 632.119 per jaar kost. In die fictieve gemeente melden zich jaarlijks 230 huishoudens, waarvan er 122 ook daadwerkelijk hulp krijgen. Dat levert een kostenpost op tussen afgerond € 2.750 en € 5.180 per huishouden – afhankelijk van de berekeningswijze. De gemiddelde uitvoeringskosten per dossier bedragen dan € 3.965. Aan de andere kant weten we dat in meer dan de helft van de minnelijke trajecten voor de schuldeisers heel zelden meer gereserveerd kan worden dan de minimale afdracht van € 60 per maand. Met de nieuwe looptijd van een traject van 18 maanden, resulteert dat in € 1.080 voor alle schuldeisers. De rekensom is dan eenvoudig: voor ruim de helft van de aanvragen schuldhulpverlening geldt dat de kosten de baten ruimschoots overschrijden. Waarom dan nog een traject optuigen? Er is immers sprake van een bizarre kosteninefficiëntie.

Als een buitengerechtelijk traject niet slaagt en een beroep op de Wsnp wordt gedaan, is de rekening uiteraard nog veel hoger, en is het negatief saldo van de sanering substantieel roder. Het zou dan zomaar kunnen dat het oplossen van schulden zes tot acht keer zo duur is als de opbrengst van het traject. Overigens blijft er aan het eind van een wettelijk traject met grote regelmaat helemaal niets voor de schuldeisers over, omdat allerlei kosten en het salaris van de Wsnp-bewindvoerder uit de boedel (het gespaarde bedrag) betaald moeten worden. Wat alleen maar onderstreept hoe geldverslindend deze aanpak is en pleit voor één juridisch traject, zonder instemmingsrecht voor de schuldeisers, inclusief een nieuwe financieringssystematiek.

Want waarom de schulden voor deze grote groep huishoudens niet eenvoudig kwijtschelden en in plaats daarvan het dan vrijgekomen geld investeren in vroegtijdige individuele duurzame begeleiding, zodat burgers direct in beeld zijn en niet onzichtbaar zelf naar oplossingen zoeken of zich uit schaamte  of taboe niet melden? Dat zet tenminste zoden aan de dijk en voorkomt in grote mate recidive. Waarschijnlijk veel beter dan wat we nu voorlichting, vroegsignalering en nazorg noemen. Nogmaals: zoek de samenwerking met buurthuizen en vrijwilligersorganisaties, waar burgers veel eerder en makkelijker een wijd open deur en een ruggensteun vinden en laagdrempelig en oordeelloos geholpen worden.

Verder kwam in 2022 van de minimaal 614.000 huishoudens met (geregistreerde) problematische schulden [CBS oktober 2021] maar 12,3% bij schuldhulpverlening terecht, met een totale schuldenlast van € 3 miljard [NVVK mei 2023]. Van de ruim 75.000 aanmeldingen werd in 2022 voor 21,7% een schuldregeling opgezet [NVVK mei 2023]. Dat betekent dat slechts 2,6% van de huishoudens met (geregistreerde) problematische schulden een oplossing wordt geboden in het minnelijk traject. Daarnaast eindigden in 2022 in totaal 4.871 Wsnp-trajecten [Raad voor Rechtsbijstand juli 2023]. In 91% van die zaken leidde het traject tot een schuldenvrije toekomst. Dat zijn 4.432 huishoudens, wat neerkomt op 0,72% van de huishoudens met (geregistreerde) problematische schulden. Bij elkaar opgeteld zorgt het hele (duurbetaalde) arsenaal aan schuldhulpverlening dus voor nauwelijks meer dan 3,2% van de eerdergenoemde 614.000 huishouden voor een oplossing. Een onthutsende conclusie. Vooral omdat we weten dat het werkelijk aantal huishoudens met problematische schulden veel hoger ligt; eerder richting of zelfs voorbij een miljoen.

Omissies

Cijfers over de effectiviteit en het oplossend vermogen van schuldenbewinden zijn er trouwens niet. Het aantal jaarlijks uitgesproken schuldenbewinden blijft wel gestaag groeien. Terwijl het wettelijk adviesrecht van gemeenten nauwelijks wordt toegepast – slechts enkele gemeenten maken hier gebruik van [SEO november 2022]. Iets wat de Afdeling advisering van de Raad van State al had voorzien toen ze stelde dat ze er nog niet van overtuigd was dat een wettelijk en formeel adviesrecht voor gemeenten echt nodig en geschikt is [Raad van State november 2019].

Wat minstens zo verbazingwekkend is, en een gemiste kans, is de omstandigheid dat de posities van de schuldeisers en de beschermingsbewindvoerders niet zijn herijkt rondom de wijziging van de Faillissementswet. Een herziening van het verhaalsrecht in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en een expliciete vaststelling van een termijn van een schuldenbewind in Boek 1 in datzelfde Burgerlijk Wetboek, waren meer dan wenselijk geweest. Iets wat de wetgever in het laatste geval ook al heeft nagelaten bij de introductie van het gemeentelijk adviesrecht bij schuldenbewinden.

Terug naar het fundament

Demissionair minister Schouten kondigde juli 2022 aan dat ze een halvering beoogt van het aantal mensen in armoede en het aantal huishoudens met problematische schulden in 2030, door de bestaanszekerheid van alle Nederlanders te versterken. Een loffelijk streven, dat onder andere door de conclusies van de Commissie Sociaal Minimum ondersteund wordt. Dat de omslag van het rapport Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum van die commissie gesierd wordt door Sisyphus die een rotsblok tegen de berg opduwt, is veelzeggend en omineus. Het beeld is voor velerlei uitleg vatbaar: als kwinkslag naar de regering, kabinet en Tweede Kamer, als waarschuwing voor de voorstanders van herziening van het stelsel, als (h)erkenning van de lange weg die te gaan is, als hart onder de riem voor de commissieleden zelf om niet op te geven, als voorbode van een afwijzende reactie vanuit de politiek, of als het ploeteren van de burger door het bureaucratische doolhof van inkomensondersteunende maatregelen terwijl collectieve voorzieningen stelselmatig afgebroken zijn.

Het is hoe dan ook een saillant beeld. Zorgwekkend ook. Omdat bestaanszekerheid voor een miljoen mensen in Nederland al heel lang niet meer bestaat. Terwijl bestaanszekerheid ten grondslag ligt aan breed welzijn en een gezond leven. De stress die armoede en financiële problemen veroorzaken, is onweerlegbaar aangetoond. De doorwerking daarvan voor de cognitieve functies, (mentale en fysieke) gezondheid, relaties, werk en dagelijks handelen zijn overduidelijk. Wat aangeeft hoe ontzettend belangrijk financiële zekerheid en stabiliteit is. Cruciaal zelfs. Want armoede en schulden zijn het gevolg van het ontbreken van geld, zelden ligt de schuld van financiële problematiek bij de burger zelf.

Op de keper beschouwd zijn burgers die met (problematische) schulden leven, in armoede dagelijks gedwongen zijn de eindjes aan elkaar te knopen, of allebei, praktisch vogelvrij verklaard. Als ze niet vervolgd worden door incassobureaus of gerechtsdeurwaarders, dan is het wel een bataljon aan (overheids)instanties dat ze overlaadt met eisen en voorwaarden gebaseerd op wantrouwen. Een leger van debiteurenbeheerders, ambtenaren en schuldhulpverleners dat door middel van vele ingewikkeld geformuleerde brieven burgers bij voortduring verplicht zich te verantwoorden voor het feit dat ze onschuldig zijn aan hun gebrek aan inkomen.

Bestaansinkomen

Wanneer de wens oprecht is om financiële problemen daadwerkelijk bij de wortel aan te pakken, is de oplossing eenvoudig: garandeer bestaanszekerheid. Rigoureus en zonder aarzelen. De aangekondigde herziening van de Participatiewet is onvoldoende. Ondanks alle goede bedoelingen, is het rapport van de Commissie Sociaal Minimum dat ook – armoede zal er niet door halveren. Net zoals de wijziging van de Faillissementswet de bestaande problematische schulden niet zal halveren. Het blijven pleisters en noodverbanden op, en potten en pannen onder het overvloedig lekkende (sociale?) stelsel.

Toon de euvele moed om het bestaansinkomen te verwezenlijken. Het is een vruchtbare bodem waarop niet alleen de burger zelf opbloeit, maar ook de maatschappij in zijn geheel. Bovendien voorkomt het zoveel van de financiële problematiek en de (hierboven geschetste) negatieve opbrengst van schuldhulp die daarbij horen. Om de kosten die veroorzaakt worden door (chronische) ziekte, uitval op werk, echtscheiding, huisontruiming, afsluiting en al die andere (bijna altijd) onomkeerbare gevolgen van toxische stress door armoede en schulden, nog maar buiten beschouwing te laten. Bestaanszekerheid door een bestaansinkomen. Het is de enige juiste weg. Omdat schuldhulpverlening symptoombestrijding is en een druppel op de gloeiende plaat. Omdat we iedereen een bestendig (financieel) toekomstperspectief gunnen, ontzet uit het duister van financiële wanhoop, waar overleven het maximaal haalbare is. Omdat we allemaal, zonder uitzondering, onderdeel zijn van hetzelfde weefsel en we elkaar vanuit dat besef kunnen bijstaan, uit solidariteit, met heel ons hart, handelend vanuit compassie, niet langer bevangen door de verlamming die inherent is aan het rammelende systeem. Ongeacht de (professionele of maatschappelijke) functie of rol die we vervullen. Omdat het in het licht voor iedereen zoveel prettiger toeven is.

Aardverschuiving

Leven in financiële rust is een natuurlijk streven. Het verlangen naar stabiliteit is niemand vreemd. De rust die bestaanszekerheid ons brengt, geeft ruimte aan creativiteit en maakt energie vrij, en vormt een voedingsbodem voor ontplooiing op vele andere gebieden. Wanneer er voldoende geld is – en dat is een relatief begrip – kunnen aandacht en vormkracht voor nieuwe dingen ingezet worden.

Het is niet per se zo dat een minimum inkomen voor bestaansonzekerheid zorgt en een hoger inkomen automatisch bestaanszekerheid genereert. Dat is afhankelijk van (onvoorspelbare) variabelen in het beschikbare budget, inclusief de persoonlijke behoefte aan middelen en vermogen, voor zover die al dan niet beïnvloed kunnen worden.

Mensen die autonoom, zelfvoorzienend, off the grid zijn gaan leven, hebben voor zichzelf rust in bestaanszekerheid gecreëerd, op basis van het weinige (inkomen) dat ze nodig hebben en het weinige dat ze bezitten. Zij hebben er bewust voor gekozen en hebben minder behoefte aan middelen, terwijl anderen dat absoluut als onvoldoende zouden ervaren.

Tegenstrijdig

Wanneer wordt gezocht naar de definitie van een sociaal minimum, naar de aanvaardbare hoogte van dat wat aan bestedingsruimte nodig is om op ieder niveau vanuit breed welzijn aan onze samenleving deel te nemen, blijkt dat niet hetzelfde te zijn als bestaanszekerheid voor alle inkomensgroepen. Want mensen met een middeninkomen, die ruim meer verdienen dat het veronderstelde sociaal minimum, kunnen in grote bestaansonzekerheid leven en een grote mate van bestedingsonvrijheid ervaren omdat ze het recht op allerlei inkomensondersteunende maatregelen verliezen. Dan steekt de in de literatuur regelmatig geconstateerde armoedeval op.

Daarmee is bestaanszekerheid een fluïde begrip geworden, omdat het bestaansminimum oftewel het sociaal minimum niet vanzelf garandeert dat voor alle inkomensgroepen en huishoudtypen armoede tot het verleden behoort. Daaruit volgt dat er behoefte is aan een nieuwe definitie van inkomen in combinatie met bestaanszekerheid. Namelijk een bestaansinkomen. Dat toereikende inkomen dat bestaanszekerheid waarborgt en direct samenhangt met levensomstandigheden zoals gezinssituatie, werk, huisvesting, (lichamelijke en geestelijke) gezondheid, scholing, sociale relaties en zelfontplooiing.

Bestaansinkomen

Een bestaansinkomen zorgt voor zover als mogelijk wel voor overzichtelijkheid en voorspelbaarheid in inkomen en uitgaven, mits afgestemd op de werkelijke noodzaak en behoeftes, die alleen op basis van zorgvuldige individuele toetsing en afweging vastgesteld kunnen worden.

Dat verlangt van overheid en werkgevers een totaal andere systematiek van het definiëren van inkomenshoogte. Daarin wordt niet alleen naar functievereisten, opleiding, kwaliteiten en vaardigheden gekeken, maar vooral naar de levensomstandigheden van het huishouden in kwestie.

Wanneer de overheid de zorgplicht invult door middel van een bestaansinkomen, gegrondvest op een fiscaal stelsel dat het draagkrachtbeginsel als uitgangspunt neemt, zal voor het overgrote deel van de Nederlandse burgers bestaansonzekerheid tot het verleden behoren. Dit vergt overigens ook een structurele herijking van het socialezekerheidsstelsel.

Tegelijkertijd vraagt dat van het huishouden om op verantwoorde wijze om te gaan met het geboden salaris en budget en aan te tonen dat de hoogte toereikend is, zonder te vervallen in overvragen of overbesteding. Hiermee kunnen excessen in honorarium en uitgaven beperkt blijven.

Kentering

Voorwaarde voor deze omwenteling is dat het bestaansinkomen samenleving-breed gedragen wordt. Dit vergt van de huidige grootverdieners op alle gebieden een enorme stap terug. Een exorbitante beloningsstructuur is in een gemeenschap die leeft van een bestaansinkomen niet langer houdbaar. Het doet een levensgroot beroep op solidariteit en het collectief ervaren van de wens welvaart voor iedereen te realiseren.

Alleen wanneer de urgentie van deze omslag in samen-zijn, gemeenschappelijk gevoeld wordt, waarna vrijwillig en weloverwogen afstand wordt gedaan van buitensporige rijkdom, behoort een samenleving zonder armoede tot de mogelijkheden.

Ommekeer

Vanmorgen las ik een krantenbericht over de terugvordering van een Participatiewetuitkering door de gemeente Eindhoven. Een bijstandsechtpaar had van hun volwassen kinderen een behoorlijke periode maandelijks geld gekregen en dat wordt nu teruggevorderd. Opgevraagde bankafschriften toonden de betalingen onweerlegbaar aan. Het geld was onder andere een ‘vergoeding’ voor het feit dat ze vaak bij hun ouders hadden gegeten.

De inhoud

Alles bij elkaar hebben de kinderen € 8.408 aan hun ouders overgemaakt, omgerekend € 420 per maand over een periode van ongeveer een jaar. De zaak is overigens aan het licht gekomen door een anonieme tip. Want in Eindhoven bestaat die mogelijkheid. De tipgever is dus niet naar het gezin gestapt om ze op hun ‘overtreding’ te wijzen (voor zover we weten, want in het artikel staat geen voorgeschiedenis), maar heeft de gemeente ingelicht zonder zichzelf bekend te maken.

De gemeente Eindhoven vordert bijna € 11.000 terug – meer dan het echtpaar heeft ontvangen, waarschijnlijk het gevolg van brutering vanwege de leeftijd van de vordering – en legde in eerste instantie ook nog een boete op van € 1.800. Die boete is na bezwaar gehalveerd, de terugvordering blijft bestaan.

Uiteindelijk is de zaak bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) terechtgekomen. De CRvB is de hoogste (!) bestuursrechter in socialezekerheidszaken. Mevrouw mr. F. Hoogendijk is glashelder in haar vonnis: het echtpaar had er bij stil moeten staan dat die bedragen mogelijk van invloed waren op de bijstand, en de opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellanten (het echtpaar) gebleken omstandigheden.

Dat betekent dat ze nu 10 jaar (!) lang iedere maand € 75 moeten aflossen van hun bijstandsuitkering.

Vergissen is menselijk

Aan de andere kant heeft het Eindhovense college beloofd dat burgers het ‘Recht op vergissen’ zouden krijgen, nadat CDA, ChristenUnie, Denk en VVD met een motie hiertoe kwamen. Eindhovenaren mogen een fout maken zonder dat daar direct een boete aan vastzit, was de bedoeling. Vooral omdat er geen sprake hoeft te zijn van kwaadwillendheid, dan wel dat onbegrip van de wet- en regelgeving een rol kan spelen. De motie zelf is ingetrokken na toezegging van (intussen voormalig) wethouder Yasin Torunoglu om de geest van de motie te omarmen en de directeur sociaal domein Yvonne Bieshaar te vragen of ze dit nadrukkelijk wil communiceren.

Natuurlijk verwijst het bericht in het AD naar de Wijdemerenaffaire, maar ook andere vergelijkbare gevallen, waar landelijk veel ophef over ontstond. In Wijdemeren is de terugvordering ook in stand gebleven na de uitspraak van de heer mr. O.L.H.W.I. Korte van de Centrale Raad van Beroep.

Een juridisch sluitend verhaal. Met de kanttekening dat de belofte destijds van de wethouder niet is beklijfd. Daarnaast valt over het anoniem tips aan de gemeente doorgeven nog wel een en ander te zeggen. Iets met smaakvol en beschaving.

Opwinding

Wat ook opvalt is de opwinding. Vooral van mensen die vinden dat fraudeurs stevig aangepakt moeten worden. Die uitkering wordt ten slotte betaald van hun belastinggeld. Waar zij keihard voor gewerkt hebben. Dus straffen die handel!

Even een rekensommetje. In 2023 bedragen de inkomsten van het Rijk € 366,4 miljard. Daarvan is 21,9% loonbelasting. Dat komt neer op € 80,2 miljard. In Nederland hebben 9,7 miljoen mensen betaald werk. Dat betekent dat we in Nederland gemiddeld € 8.272 per jaar aan loonbelasting betalen. Dat niet iedereen evenveel belasting betaalt, weten we ook. Dat is – helaas – een andere discussie.

De mensen die vinden dat fraudeurs op hún belastingcenten teren, beseffen nauwelijks wat ze zeggen. Technisch gesproken hebben ze gelijk, maar qua persoonlijke bijdrage aan de totale opbrengst loonbelasting, valt hun argumentatie volkomen in het water. Persoonlijk dragen zij slechts 0.00001% bij aan die in totaal € 80,2 miljard loonbelasting. Oftewel: ze hebben op jaarbasis acht en een halve eurocent loonbelasting ‘verloren’ aan de zobenoemde fraude van het Eindhovens echtpaar. Klein bier, heette dat vroeger. Voorwaar iets om je flink over op te winden.

In totaal staat in het vierde kwartaal van 2022 een bedrag van € 570 miljoen aan fraudegerelateerde vorderingen open. Het betreft fraudevorderingen in de bijstand die vanaf 2013 zijn beschikt. Dat betekent dat de afgelopen tien jaar voor gemiddeld € 57 miljoen aan fraudegerelateerde zaken zijn vastgesteld. Ook hier geldt een voorbehoud: de definitie van fraude (opzet, grove schuld, verwijtbaar, verminderd verwijtbaar) is op zijn minst onderwerp van gesprek.

Nu terug naar de opgewonden mensen die keihard werken en belasting betalen. Stel dat het bedrag klopt: € 57 miljoen per jaar aan fraude. Dat is 0,07% van de totale opbrengst inkomstenbelasting. Dat betekent dat iedereen met betaald werk op jaarbasis € 588 ‘kwijtraakt’ vanwege gepleegde fraude. Dat is minder dan € 49 per maand.

Best een aardig bedrag, maar niet bepaald wereldschokkend. Zeker niet omdat wij en zij het niet rechtstreeks in onze portemonnee voelen. De loonbelasting is immers al afgedragen. Natuurlijk is het een welkom bedrag, die € 12,50 per week. Voor sommigen heel wat. Zeker wanneer je van een minimum moet rondkomen. Zoals het Eindhovens echtpaar dat de touwtjes nog maar nauwelijks aan elkaar geknoopt krijgt en zodoende door hun kinderen wordt gesteund. Maar om nou te beweren dat het daarom per definitie profiteurs zijn die het vel over de oren gehaald moet worden, gaat erg ver.

Handhaving tegen de klippen op

Nog een ander gezichtspunt. Wat is eigenlijk het prijskaartje van al die (harde) handhaving? Het hele traject loopt over nogal wat schijven: van tiplijn naar sociale recherche, naar bijstandsconsulent, naar kwaliteitsmedewerker, naar ambtenaar terugvordering en verhaal, naar bezwaarcommissie, naar beroep bij de bestuursrechter, naar hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en uiteindelijk naar de medewerker uitkeringsadministratie om de terugvordering (mogelijk geautomatiseerd) maandelijks te verrekenen.

Dat moet toch een lieve cent kosten. De vraag is natuurlijk of al die personele, juridische en automatiseringskosten wel opwegen tegen het terug te vorderen bedrag. Of doen die uitgaven niet ter zake, omdat fraude nooit mag lonen en te vuur en te zwaard bestreden moet worden?

Kosten waarvoor die opgewonden belastingbetaler overigens ook opdraait. Zou hij dat wel beseffen in zijn blinde drift?

Onschuldpresumptie

In het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) staat de onschuldpresumptie uitdrukkelijk vermeld. In het Engels: innocent until proven guilty. Dat is het uitgangspunt, ook in de Nederlandse rechtspraak. Iemand is pas schuldig als het vermoeden van onschuld met onweerlegbare feiten weersproken wordt. In het verhaal over het Eindhovens echtpaar is de schuld – vanuit juridisch oogpunt – onomstotelijk vast komen te staan. De bankafschriften spreken duidelijke taal. Toch is er iets in de argumentatie van de rechter, dat ruimte biedt voor een nuance in dit relaas. Zij zegt: “Het echtpaar had er bij stil moeten staan dat die bedragen mogelijk van invloed waren op de bijstand”. Daarin zit de veronderstelling dat het echtpaar dezelfde taal spreekt en hetzelfde begrippenkader hanteert als de ambtenaar die hen destijds heeft geïnformeerd over de rechten en plichten van iemand die een Participatiewetuitkering ontvangt.

Dat is nogal een aanname. Want wat is inkomen nou precies? Geld dat je krijgt omdat je werkt. Natuurlijk. Geld dat je ontvangt omdat je een (andere) uitkering krijgt. Natuurlijk. Geld dat je van je kinderen krijgt omdat ze bij je eten en ze niet willen dat je daardoor financieel in de knel komt. Minder natuurlijk. Het kan daarom heel goed zijn dat het echtpaar vanuit een andere definitie van inkomen de uitgelegde rechten en plichten uitstekend heeft toegepast. Want geld van je kinderen krijgen is geen inkomen, maar een lief steuntje in de rug in barre tijden.

Daarom bij deze het pleidooi voor de introductie van een nieuw begrip: naïviteitspresumptie. Mensen kunnen in gesprek met vertegenwoordigers van overheidsinstanties volmondig bevestigen dat ze het begrepen hebben en er tegelijkertijd volkomen naast zitten. Eenvoudigweg omdat ze een andere inhoudsbepaling en woordverklaring bezitten dan de ambtenaar die tegenover ze zit. Twee werelden die schijnbaar in overeenstemming zijn, maar in de praktijk botsen en langs elkaar heen praten, omdat er op fundamenteel niveau een verschillende taal wordt gesproken. Beiden doen hun best, maar de boodschap is niet overgekomen, omdat begrippen wederzijds onvoldoende zijn geijkt. N.B.: tussen ambtenaren onderling kan dit verschijnsel eveneens optreden. Met alle gevolgen van dien.

De stelling “Het echtpaar had er bij stil moeten staan dat die bedragen mogelijk van invloed waren op de bijstand”, komt daarmee in een geheel ander licht te staan. Want de ambtenaar heeft in alle naïviteit gedacht dat het goed is uitgelegd en het echtpaar heeft in alle naïviteit gedacht het goed begrepen te hebben. Ierse toneelschrijver en winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur George Bernard Shaw schreef het al: “Het voornaamste probleem van communicatie is de illusie dat het heeft plaatsgevonden.”

Wat zou het mooi zijn als de rechter dit verschijnsel, de ruis tussen de communicatiepartners, zou meenemen in haar uitspraak door naïviteitspresumptie onderdeel te laten zijn van de overwegingen in het vonnis. Wat mogelijk tot een heel andere beslissing zal leiden.

Landsadvocaat

Laatste invalshoek. Afgelopen 2 juni 2023 kreeg de Tweede Kamer een brief van demissionair minister Dilan Yeşilgöz-Zegerius van Justitie en Veiligheid. Daarin meldt zij de kosten die de landsadvocaat, de advocaat van de Nederlandse staat, in het jaar 2022 in rekening heeft gebracht. Sinds 1 september 2018 is Reimer Veldhuis landsadvocaat en geeft bij advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn leiding aan de afdeling Centrale overheid. Verdeeld over diverse ministeries en kostenposten heeft Reimer Veldhuis met zijn afdeling in totaal € 34.914.000 gedeclareerd. Ik herhaal: afgerond € 35 miljoen.

Dit zijn de landsadvocaat met zijn team die destijds minister Carola Schouten hebben geadviseerd te volharden in haar weigering studenten de energietoeslag toe te kennen. In een uitgebreide motivering acht hij de uitsluiting van die groep verdedigbaar, ondanks diverse rechtszaken die studenten in het gelijk stelden.

Ook is de landsadvocaat degene die tot het uiterste ging om een gedupeerde van de Belastingdienst geen toegang te geven tot zijn eigen dossier. Bovendien is hem bij voortduring om advies gevraagd tijdens het zich nog altijd voortslepende, mensonterende toeslagenschandaal, wat onder meer blijkt uit zijn verweerschrift over de aangifte van toenmalige staatssecretarissen Alexandra van Huffelen en Hans Vijlbrief tegen ambtenaren van de Belastingdienst vanwege mogelijke knevelarij en beroepsmatige discriminatie. Die aangifte was niet nodig geweest, want de ambtenaren hadden niks strafbaars gedaan.

Weten deze opgewonden mensen die protesteren tegen het verkwanselen van hun loonafdracht over het zuurverdiende geld, dat zij Veldhuis mede bekostigen van hun belastingcenten? Dat ze maandelijks € 30 meebetalen aan een landsadvocaat die ervoor zorgt dat de rechten van mensen structureel belemmerd worden, in samenwerking met een overheid die eindeloos kan procederen vanwege een onuitputtelijke financiële bron? Mensen zoals – mogelijk – zijzelf; of hun kinderen die (straks gaan) studeren en op kamers wonen?

Ommekeer

Het is de selectieve verontwaardiging die zoveel verbazing wekt. Woede die niet zelden op onwetendheid, halve waarheden en desinformatie is gebaseerd. Frustratie die wordt gevoed door angst voor verlies, een persoonlijk trauma, misplaatste jaloezie of gebrek aan welbehagen over de eigen situatie. Het wantrouwend mensbeeld dat als een spook door onze samenleving waart, schiet steeds dieper wortel, tiert welig als heermoes of witte klaver en lijkt onuitroeibaar. De onwil ook om iets tot de bodem uit te zoeken voordat een mening de ether in wordt geslingerd, is hardnekkig. De razende reactie vaak, die van geen nuance wil weten, het vuur bij anderen oppookt en polariserend een spoor van vernieling trekt, aangewakkerd door rücksichtslos fanatisme dat geen onderscheid meer ziet tussen feit en fictie.

Het oordeel is al geveld. Zonder de situatie persoonlijk te kennen. Want is er nou werkelijk sprake van verrijking door het Eindhovens echtpaar? Leven ze echt in weelde en profiteren ze gewetenloos van overheidsgeld? Natuurlijk niet. Er is helemaal geen rijkdom door misbruik van gemeenschapsgeld. Zoals er in de meeste gevallen van (zogenaamde) fraude helemaal geen overvloed is aan te wijzen.

Het juridisch verhaal kan me gestolen worden. De oorzaak ligt bij fundamenteel gebrek aan bestaanszekerheid als gevolg van een verwrongen mensbeeld op basis van institutioneel wantrouwen. De overheid werkt dit soort gedrag zelf in de hand. Garandeer een bestaansinkomen en wat nu (in de meeste gevallen) fraude wordt genoemd behoort (in de meeste gevallen) tot het verleden. Het is geen fraude, het is overlevingsdrang, teweeggebracht door een wetgever die aan cognitieve dissonantie lijdt, waar de degene die (noodgedwongen) een beroep doet op inkomensondersteuning, het slachtoffer van wordt. De structurele onbetrouwbaarheid zit bij de (lokale) overheid, niet de burger.

Want het is een mythe die om onbegrijpelijke redenen in stand wordt gehouden. De mythe dat deze oplichters wentelend in een zwembad vol geld als Dagobert Duck door het leven gaan. Het drogbeeld van dikke auto’s en reusachtige televisies. Een schofferende representatie, die door menig ambtenaar, beleidsmedewerker, bestuurder, politicus en burger gecultiveerd en verdedigd wordt. Omdat het op een of andere manier in de (persoonlijke of politiek-bestuurlijke) agenda past.

Hamvraag blijft wat de gemeente Eindhoven nou precies wil uitdragen met deze maatregel. Welke boodschap zendt ze uit? Wat willen bestuurders, beleidsmakers en uitvoerders ons vertellen? Welke innerlijke drijfveer of strategische overwegingen noopt hen ertoe dit echtpaar op deze manier aan te pakken? Kan iemand daar een antwoord op geven?

Het is de hoogste tijd om op te houden met het nemen van dit soort besluiten. Want het gif van het waanidee dat mensen met een uitkering potentiële profiteurs en fraudeurs zijn, sijpelt steeds dieper door in onze maatschappij. Stop met verspreiding ervan. Het is tijd voor een radicale remedie. Een draai van honderdtachtig graden naar vertrouwen, mededogen, liefde, persoonlijke betrokkenheid. De enige manier om dit tij te keren.

Het zinloze spel

Even een korte introductie. Op LinkedIn stelt een specialist schuldhulpverlening op basis van de aanstaande looptijdhalvering van het minnelijk traject schuldhulpverlening, dat gedragsverandering in de toekomst mogelijk onvoldoende tijd heeft om te beklijven. Misschien prematuur om het nu al aan de orde te stellen – want voorlopig is er nog niets veranderd aan de looptijd – maar mogelijk ook een terechte zorg.

Natuurlijk roept haar post vragen op. Hoe reëel is gedragsverandering, ongeacht de looptijd van een traject schuldhulpverlening? Hoeveel tijd wordt er op dit moment aan gedragsverandering besteed? Hoe effectief en zinvol zijn de interventies die ingezet worden? Wat zijn de werkelijke oorzaken van het ontstaan van schulden? Speelt gedrag werkelijk zo’n grote rol in het ontstaan van schulden? Bestaat de zorg die zij vertolkt wel echt, of is het een manier om het bureau waarvoor ze werkt in beeld te houden? Anders gezegd: is profilering de ware motivatie om het probleem te presenteren? Het zou niet de eerste keer zijn.

Vervolgens begint het grote spel. Stakeholders en mensen positioneren hun opdrachtgever en zichzelf, komen met strategisch gewauwel en politiek-bestuurlijk gebabbel waarmee niks zinnigs wordt gezegd, maar wel zogenaamd verstandig wordt gesproken. Slechts hier en daar klinkt een woord uit de praktijk dat hout snijdt. Verder worden vooral de vaste riedels afgedraaid. Het preken voor eigen parochie is even voorspelbaar als tragisch. Ik word er zo moe van.

Het gebazel over kansen en het benutten daarvan. Hou toch op. De waarheid verhullen met prietpraat is nog nooit iemand beter van geworden. Het belangenspel straalt er van af. Het is ook niet geloofwaardig meer. Om deze zelfde reden haken steeds meer mensen af op politiek terrein. De holle frasen en loze beloften zijn ontmaskerd. Het is voor iedereen voelbaar dat we pr-technisch bij de neus genomen worden. Zwijg liever. Of draag alleen bij als het zinvol en oprecht is.

De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid WRR heeft in 2016 een rapport en een working paper gepubliceerd, aangevuld met een rapport in 2017. Achtereenvolgens Eigen Schuld? door W. Tiemeijer, Duurzame verbetering van gezond financieel gedrag. Droom of werkelijkheid? door N. Jungmann e.a. en Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid.

Wat alle drie de publicaties duidelijk maken is de complexiteit van het ontstaan van schulden, dat (irrationeel) gedrag een gevolg is in plaats van een oorzaak van het ontstaan van schulden, dat interventies op gedrag slecht of nauwelijks worden uitgevoerd, dat de werking van zojuist genoemde interventies niet wordt onderzocht, dat het traject schuldhulpverlening de afgelopen jaren alleen maar is gericht op de financieel-technische aanpak waardoor preventie en nazorg nog altijd ondergeschoven kindjes blijven, en dat er een grote groep mensen is die elementaire vaardigheden missen waardoor ze nooit in staat zullen zijn zichzelf te redden in deze veeleisende, ingewikkelde digitale samenleving. Iets wat ik in de vele gesprekken tijdens mijn trainingen en werk als coördinator van AdministratieMaatjes telkens weer hoor. Jaar na jaar na jaar. Tot op de dag van vandaag. Want ja, ik sta nog steeds met mijn poten in de klei.

Bovendien weten we dat de overheid zelf de voornaamste veroorzaker van schulden is en dat de afbrokkelende (en soms geheel ontbrekende) bestaanszekerheid voor steeds meer mensen een onmiskenbare rol speelt in het bestaan van langdurige armoede en het ontstaan van problematische schulden.

Laten we het beestje gewoon bij de naam noemen. Schuldhulpverlening is een verdienmodel, als onderdeel van de schuldenindustrie in de breedste zin van het woord. Dat is het eerste probleem. Duurzame gedragsverandering is ontzettend ingewikkeld, omdat nog nooit onweerlegbaar is vastgesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ontstaan van problematische schulden en gedrag: het essentiële verschil tussen correlatie en causaliteit. Dat is het tweede probleem. Misschien zijn we zo bevangen door maakbaarheidsdenken dat we menen dat iedereen kan leren met geld om te gaan. Dat is het derde probleem. Bovendien helpt geen enkele cursus of training het fundamentele probleem op te lossen: structureel tekort aan geld. Dat is het vierde probleem.

Laten we ophouden te pretenderen dat we het weten. Laten we ophouden te beweren dat we doen en laten op basaal niveau kunnen beïnvloeden met een workshop budgetcoaching. Laten we ophouden te doen alsof we overal een oplossing voor hebben.

Voor we het weten is maatwerk toch weer one-size-fits-nobody geworden. Voor we het weten is iedere innovatie oude wijn in nieuwe zakken. Voor we het weten valt de voddige lappendeken die we schuldhulpverlening noemen definitief uit elkaar.

Wanneer kijken we elkaar nou eens recht in de ogen aan en geven we toe dat iedere pretentie dat we hèt antwoord hebben, het toonbeeld van hybris is? Wanneer stoppen we met verdedigen van eigen territorium? Wanneer proberen we elkaar niet langer te slim af te zijn met ronkende oneliners, snedigheden en eufemismen?

Het zou ons sieren als we gewoon aan tafel gaan zitten, al het poseren laten varen en zonder aanziens des persoons in gesprek gaan. Ons nergens op voorstaan. Iedereen serieus nemen. Waarlijk in dienst handelen van diegenen om wie het gaat. De mensen die iedere dag de wanhoop nabij zijn, voornamelijk buiten hun schuld om, en niet weten hoe het tij te keren.

Voedselbanken en gaarkeukens

Aan de buitenkant lijkt Nederland keurig aangeharkt. Kijk maar naar foto’s van de Efteling, Keukenhof of Hoge Veluwe. Ook stedelijke winterlandschappen en stadswandelparken scheppen een behaaglijk beeld. Een van de redenen waarom we zo’n aantrekkelijk land zijn voor arbeidsmigranten, asielzoekers en vluchtelingen. Maar achter die sympathieke façade gaat een grimmige werkelijkheid schuil.

Het artikel over het zielloze lichaam van een 32-jarige Poolse man dat aan de rand van het Kralingse Bos is aangetroffen, illustreert de staat van de huidige maatschappelijke opvang. Het recente bericht van het Leger des Heils over de explosie aan dak- en thuisloze jongeren is minstens zo zorgwekkend. De bijdragen over ongedocumenteerden in De Correspondent zijn zo mogelijk nog schrijnender. Om over het onvermogen om met ‘verwarde’ mensen om te gaan, nog maar te zwijgen. Het geldende beleid is in toenemende mate onmenselijk en huiveringwekkend. We hangen als land – dat tot de rijkste op aarde behoort – met onze nagels aan de rand van de beschaving, waar ook de inkomens- en vermogensongelijkheid maar blijft groeien, met alle gevolgen van dien.

Ja, de Poolse man en zijn mededakloze vriend hadden de nachtopvang geweigerd. Maar dat is het begin van verder gesprek, toch geen eindstation? Hoe is het mogelijk dat verantwoordelijken (als die nog bestaan in dit overgecompliceerde systeem) dit zich niet aanrekenen en geen actie ondernemen?

Onze samenleving glijdt gestaag af naar honderd jaar geleden: het twintigste-eeuwse interbellum, toen sociale voorzieningen nog nauwelijks bestonden en het leven van armen en daklozen afhankelijk was van liefdadigheid. Bedelen en schooien op straat, proletarisch winkelen, niet bestaande nachtopvang, slapen in een portiek onder een gestolen jas terwijl het sneeuwt. Armoede, honger, ziekte, vroegtijdige dood.

De inzichten over het aantal dak- en thuislozen zijn verdeeld. Het CBS spreekt over 32.000 feitelijk daklozen, branchevereniging Valente heeft het over honderdduizenden. Verontrustende aantallen. Gelukkig ontstaan er initiatieven zoals Onder de Pannen, waar huishoudens die een kamer over hebben zich kunnen melden. Een hoopgevende actie, maar druppel op de gloeiende plaat.

De Rijksoverheid heeft het ambitieuze Nationaal Actieplan Dakloosheid gepresenteerd, dat er voor moet zorgen dat in 2030 dakloosheid is beëindigd. Over zeven (!) jaar dus. De vraag is wat dit plan doet voor de mensen die vannacht onder een brug in de vrieskou liggen. Immers: hun nood moet vandaag geledigd worden, voordat ze op straat sterven.

Dakloosheid dreigt met grote stappen te groeien. Als gevolg van de gierende inflatie (de hoogste na 1975) en aanhoudende energiecrisis gaan steeds meer mensen naar de voedselbank of raken hun huis kwijt omdat ze de huur niet meer kunnen betalen. Ook het beroep op armoedehulporganisaties neemt schrikbarende vormen aan. Intussen leven er in Nederland meer dan 1 miljoen mensen in armoede, waaronder 220.00 mensen die een baan hebben. Bovendien wordt er steeds vaker beslag op loon gelegd vanwege schulden.

Mede hierdoor groeit volgens het CBS in ons zogenaamd welvarende land een kwart van de kinderen op in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Daarnaast meldt het NJI dat kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond een veel groter risico op armoede lopen dan kinderen van Nederlandse origine. De marginale verhoging van het wettelijk minimumloon zet geen zoden aan de dijk en bestaanszekerheid kalft alsmaar verder af. Nog even en de gaarkeukens zijn weer net zo noodzakelijk als ruim een eeuw geleden.

Het meest triest is nog wel dat ondanks al deze alarmerende berichten het niet tot Den Haag lijkt door te dringen dat het zo niet langer kan. Alle plannen ten spijt, of het nou over brede welvaart, armoede en schulden, wonen, onderwijs, dakloosheid of (geestelijke) gezondheidszorg gaat, er wordt nog geen deuk in een pakje boter geslagen.

Wat we zien is de omgekeerde werdegang van de verzorgingsstaat, waar normbesef wegkwijnt onder reguleringsdruk, humaan perspectief zienderogen verdwijnt en politiek-bestuurlijke ethiek door betonrot is aangetast. Structurele desinteresse en handelingsonbekwaamheid. Onvoorstelbaar en beschamend. De erosie waaraan persoonlijke betrokkenheid onderhevig is, wordt gerechtvaardigd door terminologie en eufemismen, en zorgt voor een lawine aan tragische verhalen en slachtoffers. Er kunnen boeken over volgeschreven worden. De rechtsstaat brokkelt af. We zijn niemandsland geworden. Letterlijk en figuurlijk. Vrij naar Anil Ramdas: ik stel me de wereld anders voor.

Anders gezegd: de maat is vol en het glas is leeg. Wie pakt de handschoen op?

Het nadeel van de twijfel

Een samenleving wordt groots als oude mannen bomen planten in wier schaduw ze nooit zullen zitten.

Grieks gezegde

Vanaf het moment dat in 2013 personen wegens verkwisting of problematische schulden onder bewind gesteld kunnen worden, is er discussie ontstaan over de wijsheid van de wetswijziging. Voorstanders zagen een oplossing voor de huishoudens die niet zelfstandig uit de financiële problemen kunnen komen, mede door een slecht toegankelijk en weinig slagvaardig minnelijk traject schuldhulpverlening. Tegenstanders zagen vooral een (deels) parallel traject dat eerder verstorend dan aanvullend zou gaan werken. Om nog maar te zwijgen over de perverse prikkel in de financiering van bewindvoering.

De afgelopen tien jaar (vanaf de invoering in 2013) heb ik met vele bewindvoerders, schuldhulpverleners, beleidsmakers en kenners gesproken over het gesteggel in het werkveld. Zeker nadat de uitgaven bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering uit de pan rezen en het aantal onder bewind gestelden in korte tijd meer dan verdubbelde. Het gefoeter was niet van de lucht. Iedereen wees iedereen als zondebok aan.

Tijdens de cursussen die ik in die periode heb gegeven, was de stemming niet veel beter. Schuldhulpverleners werden gek van slecht bereikbare en regelmatig dwarsliggende beschermingsbewindvoerders, beschermingsbewindvoerders klaagden steen en been over de onmogelijk eisen van schuldhulpverleners, Wsnp bewindvoerders mopperden over het buitengerechtelijke gestuntel van beiden en incassomedewerkers en deurwaarders verbaasden zich doorlopend over de weekhartige houding ten opzichte van mensen met schulden. Die (onterechte en vaak populistische) neiging elkaar de schuld te geven, kapte ik steeds eerder af. Het is zo zinloos. Zelfgenoegzaam beweren dat jij de enige bent die de persoon met financiële problemen het best kan helpen, is niet constructief. Zeker niet als je gemotiveerd door eigenbelang andermans naam door het slijk te halen.

Zodra ik dat hardop uitsprak, werd er over het algemeen (soms met tegenzin) instemmend geknikt. Hier en daar werd morrelend gezwegen of meewarig gekeken. Dat liet ik voor wat het was. Ook ik heb de waarheid niet in pacht. Wat ik wel zie, is dat degenen om wie het gaat, nog altijd slecht geholpen en bereikt worden. Ondanks alle beweringen van het tegendeel.

Nou hebben mijn woorden een beperkte reikwijdte. Sommigen denken waarschijnlijk dat ze van twijfelachtig allooi zijn. Ik heb geen universitaire opleiding, geen onderzoeken op mijn naam staan, ik ben niet verbonden aan een gezaghebbend instituut of prestigieus adviesbureau. Kortom: ik behoor niet tot het ouwe-jongens-krentenbrood circuit. Of zoals een directeur van een Kredietbank het een jaar of twintig geleden verwoordde wat betreft de NVVK: ‘We zijn een beetje een incestueus clubje.’

Zonder mezelf op te hemelen, mezelf belangrijker te maken dan ik ben, of me te wentelen in zelfmedelijden omdat ik miskend wordt, is dat een trieste constatering van die voormalig directeur. Want in de ruim vijfentwintig jaar dat ik met schuldhulpverlening bezig ben, zijn het min of meer dezelfde onderzoekers, bureaus en instanties die de dienst uitmaken. In een aantal gevallen zelfs nog langer dan 25 jaar. En wat zijn we ermee opgeschoten? Akelig weinig. Toegegeven, hier en daar hebben er verschuivingen plaatsgevonden. Maar onvoldoende. Ook de nieuwste voorstellen gaan het verschil niet maken, of ze nu vanuit de wetgever, beleidsmakers of uitvoerders komen.

Waarom niet? Omdat wetgeving het probleem niet gaat oplossen. Een radicale hervorming ook niet. Het politiek-bestuurlijke systeem (inclusief de verfoeide marktwerking en obscene verdienmodellen in een afhankelijkheidsrelatie) is inert en nalatig. Koerscorrecties zijn nog trager dan die van een mammoettanker.

Er is maar één oplossing: een nieuwe manier van denken en handelen. Los van alle bestaande systemen en instanties. Een samenleving waar bestaanszekerheid en zorg op basis van persoonlijke betrokkenheid vanzelfsprekendheden zijn. Niet gebaseerd op regelgeving, maar op uitdrukking van datgene wat we allemaal het liefste doen: bijdragen aan een gezonde gemeenschap, vanuit bezieling en inspiratie.

Dat betekent niet dat we allemaal in gebatikte jurken en op van gerecyclede autobanden gemaakte sandalen moeten gaan lopen, dagelijks onkruid wiedend in de moestuin van onze commune en zonder uitzondering in een socialistische heilstaat moeten gaan geloven.

Dat betekent wel dat we allemaal te rade moeten gaan bij onszelf – vooral dus in schuldhulpverleningsland – of we nou echt voor de nooddruftigen onder ons bezig zijn, of toch alleen maar voor winstmarge en persoonlijke glorie. Want dat laatste proef ik helaas nog veel te vaak in de wervende teksten die ik lees.

Daarom voor de zoveelste keer de oproep: overstijg jezelf en heb het lef aanzien en eigen gewin los te laten. Maak waar wat je vooralsnog alleen in woorden predikt. Want de noodklok beiert al een hele tijd. Ik weet zeker dat jullie het ook horen. Twijfel niet langer. Handel overeenkomstig!

Opgelegd pandoer

Een paar weken geleden zag ik de documentaire The Biggest Little Farm op Netflix. Daarin wordt verteld over het echtpaar John en Molly Chester, dat in de loop van zeven jaar een dor stuk land van bijna 95 hectare transformeert tot een zelfregulerend ecosysteem. Ze worden geholpen door Alan York, voorvechter van biodynamische landbouw, om hun boerderij Apricot Lane Farms tot een prachtige, complexe wereld te laten opbloeien waar biodiversiteit hoogtijdagen viert. Een inspirerend en hoopgevend verhaal.

In die zeven jaren worden ze geteisterd door financieel tekort, plagen, ziekte, rampen en ook de dood. Alle tegenslagen die je kunt bedenken, steken de kop op. Soms verliezen ze haast de moed. En telkens wanneer ze denken de controle hervonden te hebben, slaat de natuur opnieuw toe. Ze voelen zich na het zoveelste malheur zelfs gedwongen hun fundamentele overtuiging niet te doden om te behouden waarvoor ze zich maximaal inspannen, los te laten. Maar ze geven niet op. Omdat ze ervaren dat het klopt.

Aan het eind van de film gaat het over natuur en harmonie. Hoe we als mensheid heel lang hebben geleefd op een draaglijk niveau van disharmonie. Dat lukt nu al een hele tijd niet meer. Onze eenentwintigste eeuw maakt dat meer dan duidelijk. De disharmonie is niet langer comfortabel of acceptabel. Het wringt, het is niet meer uit te houden en de ontevredenheid woekert zienderogen. Onbewust en bewust. Onrust en onvrede zetten ons aan tot radicaler gedachtegoed en bijbehorende uitingen. Het is voor iedereen waarneembaar. De polarisatie neemt toe, gevoed door verontwaardiging, opwinding en hardvochtige standpunten.

Maar die onvrede zet ook aan tot initiatieven zoals in de The Biggest Little Farm, waar (vreedzame) co-existentie tot op zekere hoogte vanzelfsprekend is. Soms zwaarbevochten, zelden vanzelf, maar wel de inspiratiebron. Het verlangen naar eenheid die aanzet tot de sprong in het diepe, gedreven door de oprechte wens het bestaan in verbinding met de natuur vorm te geven. Maar ook zonder garantie, want morgen kan alles weer anders zijn.

Natuurlijk herken ik die onvrede, frustratie en opwinding in mijn eigen leven. Zowel privé als in mijn werk. Als coördinator bij een vrijwilligersorganisatie wanneer professionals verstrikt raken of zijn in wet- en regelgeving en daar niet uit (willen) komen. Als zelfstandig docent schuldhulpverlening zodra in de uitwisseling duidelijk wordt dat gepast wantrouwen hardnekkiger is dan ik wens. Als lezer van onderzoeken, rapporten, beleidsstukken en artikelen over mijn vakgebied, waarin met grote regelmaat de plank volledig wordt misgeslagen doordat niet wordt begrepen dat cijfers, methodes en wetenschappelijke analyse geen oplossing zijn zonder persoonlijke betrokkenheid.

Om die frustratie – en soms woede – vorm te geven, schrijf ik dan een blog of artikel. Of gewoon een paar regels, als uitlaatklep voor de ontgoocheling of drift. Zoals deze: ‘Schermen met zelfredzaamheid is eisen dat iemand bewijst iets niet te kunnen, door toch eerst zelf te proberen. Het is geen validatie van kracht, maar een negatieve kwalificatie, een bevestiging van onkunde, een afgedwongen schuldbekentenis, die suggereert dat hulp een privilege is dat alleen verdiend kan worden door eigen zwaktes en plein public toe te geven. Het is vernederend, mensonterend en een schoolvoorbeeld van superioriteitsdenken. Zeker als het over financiële problemen en schulden gaat. Want dan betreft het zelden een menselijk tekort en vrijwel altijd een gebrek aan geld. De weg daar uit vervolgens een klantreis noemen, is helemaal een gotspe. Alsof het om een pleziertochtje door het bureaucratisch landschap gaat met een lollig snuisterijtje als beloning bij de uitgang.’

Dat gemopper – dat van tijdelijke aard is en weinig constructief – verdween even helemaal terwijl ik The Biggest Little Farm keek. Ineens zag ik het voor me. Een eerder blog over Ubuntu, mijn oproep een Alliantie te vormen, de wens iedereen die financiële problemen heeft vanuit liefde en mededogen te ondersteunen; ze vielen allemaal samen.

Co-existentie in een zelfregulerend ecosysteem dat in vanzelfsprekende harmonie bestaat. Een samenleving waarin een monetair stelsel niet meer nodig is. Een bestaan waarin het grootboek is gesloten en definities als schuld en incasseren geen betekenis meer hebben. Een omgeving waar zorg en veiligheid – de fundamentele componenten van bestaanszekerheid en welzijn – natuurlijk aanwezig zijn. Een wereld waar termen als participatiemaatschappij, zelfredzaamheid en samenkracht niet langer noodzakelijk zijn.

Toekomstmuziek? Naïef en romantisch? Onmogelijk? Misschien wel allemaal, wellicht geen van alle. Hoe dan ook, geen beletsel om te ervaren dat het weefsel dat de mensheid is, een oneindige draagkracht bezit die zich uitstrekt tot onvermoede grootte.

Mark Twain noteerde ooit: ‘Ik heb in mijn leven veel zorgen gehad, waarvan de meeste nooit zijn uitgekomen.’ Laat ik dat vandaag tot leidraad nemen terwijl ik deze woorden schrijf. Want niemand kent de toekomst en een van de voornaamste belemmeringen van creativiteit is rationaliteit. We maken onszelf zoveel wijs. We zijn zo snel bang. We doen zo snel iets af als hersenspinsels. Terwijl de wereld zoveel leuker is als we de onbegrensde potentie van het leven toelaten. Juist in de dagelijkse strijd, ondanks alle muizenissen. Gewoon uitvliegen. In de wetenschap dat niets te beheersen is en alles mogelijk.

Stel je toch voor. Wij allemaal samen. Zonder uitzondering. In harmonie – ook wanneer die er niet is. Een eenheid waarin vrijheid dagelijks ervaren wordt, waarin lijden niet meer bevestigd hoeft te worden, waarin ieder moment van binnenuit besloten kan worden die ander – die aan iedereen verbonden is – onvoorwaardelijk bij te staan, in lotsverbondenheid, waarin vanuit natuurlijk verloop de dingen gebeuren die gebeuren.

Niet zonder slag of stoot. Want het vraagt van ons allemaal dat we alle innerlijke hindernissen, piketpalen en kwetsuren uit het verleden aan introspectie onderwerpen. Misschien wel zeven jaar lang. Om ze vervolgens met een vleugje melancholie, maar vooral vreugdevol, te zien als niet meer dan dat: hindernissen, piketpalen en kwetsuren die er niet meer toe doen.

Het vergt ook een andere manier van communiceren: de taal van het hart. Gesproken vanuit de stroom waardoor we ons vanuit de bron laten meevoeren, in een bedding van vertrouwen en besef van verbondenheid.

Zonder labels. Geen opgelegd pandoer. Maximale bewegingsvrijheid en diversiteit. Ieder dag weer. Om te doen wat we het liefste doen. Zonder onderscheid. Om te beginnen in onze eigen kring, ons ecosysteem. Dat uitbreiden. Tot we op een ander ecosysteem stuiten dat hetzelfde voorheeft, naadloos aansluit en samenvloeit. Tot het volgende ontdekt wordt. En zo voorts. Een ware samen-leving.

De top 5 rijkste personen in Nederland volgens de Quote 500 heeft een geschat vermogen van € 33,5 miljard. Volgens het NVVK Jaarverslag 2021 hadden de huishoudens die zich in 2021 hebben gemeld voor schuldhulpverlening, een totale schuldenlast van € 2,9 miljard. Anders gezegd: wanneer de vijf rijkste mensen van Nederland, ik herhaal: de VIJF rijkste mensen van Nederland, minder dan 10% van hun vermogen inzetten, behoren de problematische schulden van 78.698 huishoudens, ik herhaal: ACHTENZEVENTIGDUIZEND ZESHONDERDACHTENNEGENTIG huishoudens, tot het verleden.

Volgens het CBS hebben ruim 600.000 huishoudens in Nederland geregistreerde problematische schulden. Wanneer ik uitga van dezelfde gemiddelde schuldenlast die de NVVK rapporteert, dan hebben deze huishoudens een totale schuldenlast van € 22,4 miljard. De top 5 rijkste families van Nederland heeft volgens de Quote 500 een geschat vermogen van € 39 miljard. Do the math, is de toepasselijke Engelstalige uitdrukking.

De twee top 5 lijsten bevatten geen doublures. Totaal is er dus € 72,5 miljard aan vermogen beschikbaar. En dan heb ik het nog niet over de andere 990 personen en families in de rest van de Quote 500. Die draagkracht. Onbenut. Waarom? Omdat …

De overheid, die volgens de Rijksbegroting in 2022 € 353 miljard gaat uitgeven, waarvan structureel € 120 miljoen voor de aanpak van geldzorgen, armoede en schulden (omgerekend 0,034%), krijgt het ook niet voor elkaar om inkomensongelijkheid, armoede en schuldenproblematiek bij de wortel aan te pakken. “Ze” gaan het niet voor “ons” doen. Accepteer die institutionele onverschilligheid en lamlendigheid. Het systeem verandert niet vanuit zichzelf.

Maar als wijzelf, in onze eigen kring, onze draagkracht inzetten, om degenen in onze directe omgeving die het niet zo breed hebben als wij, te ondersteunen, dan doen we hetzelfde dat we van de top 5 rijkste personen en families in de Quote 500 en de regering verwachten: dragen wat we kunnen. De welvaart delen. Ieders welzijn voeden. Vanuit het hart. Co-existentie in een zelfregulerend ecosysteem dat in vanzelfsprekende harmonie bestaat.

Uiteindelijk is er niets dat ons tegenhoudt. Ook wijzelf niet. Vooral ik niet. Ik ben benieuwd!